Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders. Zij behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Bij gebruikelijke hulp worden daarom door het college de volgende algemene uitgangspunten gehanteerd.
Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen.
De zorgplicht van ouders strekt zich uit over het bieden van:
een veilige woonomgeving aan hun kind(eren) waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd;
een passend pedagogisch klimaat;
zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans die nodig is voor de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid, ongeacht de leeftijd van het kind.
Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de ouders deze hulp zelf uitvoeren. De gebruikelijke hulp kan door de ouders ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden.
Voor gebruikelijke hulp wordt geen (aanvullende) hulp geboden vanuit de Jeugdwet, tenzij uit onderzoek blijkt dat ouders overbelast zijn of dreigen te raken.
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. Er wordt wel rekening gehouden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken.
Onder gebruikelijke hulp valt in ieder geval:
de aanwezigheid van ouders;
het bieden van ouderlijk toezicht;
het bieden van een beschermende woonomgeving;
het bieden van structuur;
het bieden van begeleiding en stimulans bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
het begeleiden naar huisarts, ziekenhuis of therapie;
het maatschappelijk verkeer, als bezoek aan familie, vrienden, school, sport etc.;
in kortdurende zorgsituaties wordt van ouders of andere verzorgers/opvoeders verwacht dat ze alle persoonlijke verzorging en begeleiding zelf bieden. Alleen in langdurige zorgsituaties kan sprake zijn van bovengebruikelijke hulp waarvoor het college jeugdhulp moet inzetten. Dat sprake is van een langdurige zorgsituatie kan al vanaf het begin duidelijk zijn. Er hoeft dan dus niet eerst 3 maanden te worden ‘gewacht’ alvorens het college jeugdhulp in kan zetten.
In bijlage 1 is de ‘Richtlijn gebruikelijke hulp voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel’ opgenomen die het college als leidraad hanteert.11Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ-indicatiewijzer en de hierin opgenomen richtlijnen voor gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel Deze richtlijn bevat een omschrijving van de hulp en ondersteuning die elk kind bij het opgroeien van zijn ouder(s) nodig heeft tijdens de verschillende ontwikkelfasen. Bij de beoordeling welke hulp hier substantieel bovenuit gaat, betrekt het college de volgende 5 factoren:
Factor 1. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van de jeugdige
Bij de beoordeling van gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd kan de ene jeugdige meer zorg nodig hebben dan de andere. Het ene kind is nu eenmaal ‘gemakkelijker’ of sneller zelfstandig dan het andere kind.
Factor 2. De aard van de benodigde ondersteuning
Voor zorghandelingen die de jeugdige zelfstandig kan uitvoeren, hoeft geen hulp te worden toegekend. Gebruikelijke hulp bij jeugdigen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke hulphandeling vervangen. Voorbeelden kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen, bij een jeugdige met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie, het geven van sondevoeding in plaats van eten of om handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.
Factor 3. Frequentie en patroon van de zorghandelingen
Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een jeugdige, zoals 3 keer eten per dag, worden als gebruikelijke hulp aangemerkt. Denk bijvoorbeeld aan het geven van medicijnen tijdens de maaltijden.
Factor 4. Tijdsomvang van de zorghandelingen
De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan ervoor zorgen dat er niet langer sprake is van gebruikelijke hulp. Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en aankleden. Als deze handelingen veel meer tijd kosten, bijvoorbeeld vanwege spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien.
Factor 5. Planbaarheid en uitstelbaarheid van de zorghandelingen
De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning en de momenten van de dag waarop dit geboden wordt. Het kan daarbij gaan om zorghandelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden.
De hiervoor genoemde beoordelingsfactoren worden telkens in samenhang met elkaar beoordeeld. Hierbij wordt gekeken naar de individuele omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Zo kan een zorghandeling die naar zijn aard en omvang voor een jeugdige van een bepaalde leeftijd gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie). Of veel meer tijd kosten (tijdsomvang), waardoor deze zorg niet geheel als gebruikelijk kan worden aangemerkt.
Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat de ouder(s) niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege:
langdurige fysieke afwezigheid;
een beperking van de ouder(s) en beperkte leerbaarheid van ouder(s);
(dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Bij het onderzoek naar de gebruikelijke hulp moet het college vaststellen of degene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden, of dat sprake is van (dreigende) overbelasting. Er moet aandacht zijn voor de draaglast en draagkracht van de ouder(s). Als uit onderzoek blijkt dat sprake is van (dreigende) overbelasting, zal het college (tijdelijk) een voorziening verstrekken. In eerste instantie zal deze voorziening van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de (onderlinge) taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
3.2.1Bovengebruikelijke hulp door ouder(s)
Indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van bovengebruikelijke hulp, wordt onderzocht in welke mate deze hulp redelijkerwijs door ouder(s) geboden kan worden. Bovengebruikelijke hulp kan in beginsel namelijk van ouder(s) worden verwacht. Dat kan ook worden afgeleid uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.12Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 17-07-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362 Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan uit eigen beweging had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, beschikbaar was om deze zorg aan haar kind te bieden. Dat deze ouder de zorg ook aankon en bekwaam verleende en dat daarom de zorg van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen kracht. Verder heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt.13Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag d.d. 9-7-2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6249
Of sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) wordt op basis van deze uitspraken volgens de volgende 4 onderzoeksvragen bepaald.
1. Zijn de ouder(s) in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
Bij het onderzoek moet worden vastgesteld of de ouder(s) daadwerkelijk in staat zijn om de noodzakelijke hulp te kunnen bieden aan hun kind. Uit onderzoek moet blijken dat zij over de benodigde vaardigheden beschikken om adequaat en zorgvuldig te handelen.
2. Zijn de ouder(s) beschikbaar om de noodzakelijke hulp aan hun kind te bieden?
Bij het onderzoek moet worden vastgesteld of de ouder(s) daadwerkelijk beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te kunnen bieden aan hun kind.
3. Levert het bieden van de hulp door ouder(s) geen overbelasting op?
Bij het onderzoek wordt de draaglast en draagkracht van de ouder(s) beoordeeld. Hierbij wordt ook gekeken naar de gezinssituatie. Onderzocht wordt of de ouder(s) naast hun werk en de te verlenen gebruikelijke hulp fysiek en psychisch nog in staat zijn de bovengebruikelijke hulp te verlenen. Als dat niet het geval is en er sprake is van (dreigende) overbelasting, dan zal het college een voorziening verstrekken. In eerste instantie zal die voorziening van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de (onderlinge) taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
4. Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door ouder(s) geboden wordt?
Uit de eerder genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat in ieder geval (indirect) de financiële draagkracht van ouder(s) een rol speelt bij de vraag of sprake is van voldoende eigen kracht van ouder(s). De mogelijkheid om over een inkomen te beschikken is van belang bij de vraag of sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s). Van ouder(s) wordt niet verlangd dat zij hun baan opzeggen om op deze manier voor hun kind te kunnen zorgen. Om de financiële draagkracht van ouder(s) te beoordelen wordt aansluiting gezocht bij normen vanuit het NIBUD om te beoordelen of de financiële situatie ook zonder een persoonsgebonden budget nog 'houdbaar' is. Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van een rekentool van het NIBUD, namelijk het persoonlijk budgetadvies'.14Zie https://persoonlijkbudgetadvies.nibud.nl/#/panel/0 Het gebruik van deze rekentool voor de beoordeling van de financiële draagkracht van ouder(s) is volgens de rechtbank Rotterdam toegestaan.15Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam d.d. 8-01-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:52 Van ouder(s) wordt verwacht dat ze inzicht geven in hun financiële situatie, zodat het college kan beoordelen of ouder(s) financieel draagkrachtig zijn.
Als uit onderzoek naar deze onderzoeksvragen volgt dat de ouder(s) de noodzakelijke hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan het college concluderen dat sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) en is er geen aanspraak op een individuele jeugdhulpvoorziening mogelijk.
Het college onderzoekt bij de constatering van onvoldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige hulp.
Hoofdstuk 1.
Artikel 3.2