Onder jeugdhulp wordt onder andere verstaan het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een beperking, die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt.22Zie onderdeel 2° van het begrip ‘jeugdhulp’ in artikel 1.1 van de Jeugdwet Het doel van deze jeugdhulp is jeugdigen in staat stellen om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Hierbij wordt rekening gehouden met hun leeftijd en ontwikkelingsniveau. Om dit te bereiken, kan het college begeleiding inzetten.
Bij begeleiding gaat het om het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Bij jeugdigen wordt een beperking in de zelfredzaamheid en participatie vergeleken met de mate van zelfredzaamheid en participatie van een ‘gezond’ kind van dezelfde leeftijd. Zie hiervoor ook de richtlijn in bijlage 1.
Begeleidingsactiviteiten kunnen onder andere bestaan uit:
het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen, zoals leren om dagelijkse handelingen als wassen en aankleden zelfstandig te kunnen doen;
het oefenen met aanbrengen van structuur, bijvoorbeeld hulp bij plannen van activiteiten en dag structureren;
ondersteuning bij het sociaal functioneren en maatschappelijk participeren (psychosociale zelfredzaamheid), zoals thuis of vrijetijdsbesteding.
Als uit onderzoek blijkt dat sprake is van onvoldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige en ouder(s) en er geen mogelijkheden zijn om met de inzet van een andere voorziening en overige voorziening tot een oplossing voor de hulvraag te komen, dan verstrekt het college een individuele voorziening voor begeleiding. Om dit eenduidig en onderbouwd te kunnen doen, is in bijlage 2 de ‘Bandbreedte begeleiding’ opgenomen die het college als leidraad hanteert.23De Tabel bandbreedte begeleiding is gebaseerd op de CIZ indicatiewijzer 7.0, januari 2014
4.2.1Onderscheid begeleiding basis en begeleiding specialistisch
Wanneer begeleiding noodzakelijk is, kan er sprake zijn van ‘reguliere’(basis)begeleiding of gespecialiseerde begeleiding. Van gespecialiseerde begeleiding is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. Namelijk alleen wanneer sprake is van zware beperkingen in de zelfredzaamheid in verband met een psychiatrische stoornis. De begeleiding is dan nodig wegens een langdurig gebrek aan zelfregie. Het accent ligt bij de begeleiding in dat geval op handhavingsdoelen en is met name gericht op het voorkomen van afname van de zelfredzaamheid van de betreffende jeugdige en/of ouder(s).24Zie hierover ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 14 december 2016, ECLI:CRVB:2016:4796
Hoewel het uitgangspunt is dat gespecialiseerde begeleiding alleen in bovengenoemde situaties van toepassing is, zal altijd een individuele afweging gemaakt worden.
4.2.2Begeleiding en gebruikelijke hulp
Bij de beoordeling van de vraag welke activiteiten op het gebied van begeleiding als (boven)gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt, gelden de hoofdregels uit hoofdstuk 3.
Hierna komen enkele uitzonderingen dan wel bijzondere situaties aan de orde die specifiek voor begeleiding gelden.
De ouder(s) hebben zelf beperkingen
Als ouder(s) geobjectiveerde beperkingen hebben en/of kennis/vaardigheden missen om gebruikelijke begeleiding te kunnen bieden en deze vaardigheden niet kunnen aanleren, dan kan niet alle gebruikelijke hulp van deze ouder(s) worden verwacht.
Begeleiding tijdens werk of studie van ouder(s)
Wanneer ouder(s) werken of studeren, blijven zij verantwoordelijk voor de opvang, opvoeding en verzorging van hun kinderen. De begeleiding die als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouder(s) werken of studeren niet als voorziening worden toegekend. Alleen voor bovengebruikelijke begeleiding kan het college een voorziening verstrekken.
Ouderlijk toezicht
Ouderlijk toezicht aan kinderen is gebruikelijke hulp. Dit toezicht wordt anders van aard naarmate een kind ouder wordt en zich ontwikkelt. Zie ook de richtlijnen in bijlage 1.
4.2.3Begeleiding tijdens onderwijs
Scholen voor primair en voortgezet onderwijs hebben in het kader van het passend onderwijs een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat kinderen die extra begeleiding en ondersteuning nodig hebben, altijd een passende onderwijsplek krijgen. Extra (didactische en pedagogische) ondersteuning die nodig is om onderwijsdoelen te bereiken moet door scholen geboden worden. Het gaat dan om ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs en om de kinderen verder te helpen in hun onderwijsontwikkeling.25Zie hierover ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam d.d. 1 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5711 Volgens de memorie van toelichting die heeft geleid tot de invoering van passend onderwijs kan de extra ondersteuning die leerlingen in het onderwijs ontvangen op veel verschillende manieren worden weergegeven.26Zie de memorie van toelichting bij de wet passend onderwijs: TK 2011-12, 33 106, nr. 3, pagina 16 Afhankelijk van de problematiek van de leerling en de mogelijkheden van de school zal de extra ondersteuning door de school worden ingezet. De ondersteuning is er altijd op gericht om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling. Voorbeelden van ondersteuning door school aan een leerling zijn:
huiswerkbegeleiding;
speltherapie die er op is gericht om spelenderwijs leerproblemen aan te pakken;
observatie, onderzoek of tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog;
kindcoaching;
het aanschaffen van aangepast lesmateriaal (bijvoorbeeld pictogrammen of braille leerboeken);
begeleiding bij dyslexie;
sociale vaardigheidstraining;
remedial teaching;
begeleiding tijdens de stages.
Het college is verantwoordelijk voor de begeleiding op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Als het gedrag van de jeugdige de omgang met andere leerlingen bemoeilijkt, kan begeleiding in de vorm van toezicht aangewezen zijn. Te denken valt hierbij aan begeleiding bij het bieden van extra toezicht tijdens de vrije lessen of activiteiten die niet direct gericht zijn op het leerproces van de jeugdige, zoals het speelkwartier en het lopen naar de gymlessen.
4.2.4Begeleiding tijdens buitenschoolse opvang
De buitenschoolse opvang is een opvang voor jeugdigen in de basisschoolleeftijd voor of na de dagelijkse schooltijd. De buitenschoolse opvang kan ook in vakantieperiodes en op vrije dagen plaatsvinden en is mogelijk via een kindcentrum27Zie het begrip ‘buitenschoolse opvang’ in artikel 1.1 lid 1 van de Wet kinderopvang. Reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. Ouder(s) zijn zelf (financieel) verantwoordelijk voor de opvang van hun kinderen. Voor de buitenschoolse opvang kunnen ouders dan ook kinderopvangtoeslag aanvragen bij de Belastingdienst. Het kan zijn dat de jeugdige tijdens deze opvang extra begeleiding nodig heeft vanwege een beperking. In dat geval kan die begeleiding wel onder de Jeugdwet vallen. Het college zal moeten beoordelen of inzet van de begeleiding tijdens de opvang in de individuele situatie noodzakelijk is in verband met opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en/of stoornissen van de jeugdige.
Hoofdstuk 1.
Artikel 4.2