Naar hoofdinhoud
1.. Het te verlenen subsidiebedrag per kalenderjaar wordt gebaseerd op: de hoogte van de subsidie in voorgaande subsidiejaren, het beslag op deze middelen en de als dan gevormde egalisatiereserve; het aantal meldingen/aanvragen voor nieuwe of te verlengen opvang; het aantal plaatsen voor de opvang dat een kindercentrum in de gemeente kan bieden. 2.. Het op basis van het eerste lid berekende subsidieplafond wordt door middel van twee halfjaarlijkse subsidies verleend. De eerste verlening vindt plaats in januari van het betreffende kalenderjaar; de tweede subsidieverlening in juli van datzelfde jaar. 3.. Als gedurende het betreffende jaar blijkt dat het oorspronkelijk berekende jaarbedrag niet voldoende is om de subsidiabele kosten te dekken, dan vraagt het kindercentrum een aanvullende subsidie aan. Deze subsidieaanvraag wordt onderbouwd door aan de aanvraag een overzicht toe te voegen waaruit het beslag op de subsidiemiddelen en het toekomstige beslag binnen het betreffende kalenderjaar naar voren komt. Voor de aanvraag stelt het college een aanvraagformulier beschikbaar. 4.. Het kindercentrum levert per kwartaal achteraf een overzicht aan van de geëffectueerde tegemoetkomingen, met de gegevens die nodig zijn voor de controle op de juiste besteding van de subsidie middelen. De gemeente levert daartoe desgewenst een format voor rapportage aan. 5.. Voor een aanvraag om subsidie van een kindercentrum dat niet tot de vaste periodieke subsidierelaties kinderopvang van de gemeente behoort, stelt het college een aanvraagformulier beschikbaar. De hoogte van het toe te kennen bedrag is afhankelijk van het aantal aanmeldingen, en de mate waarin de gemeente volgens de afwegingen genoemd in hoofdstuk 2 een recht op een tegemoetkoming heeft afgegeven. De verleningsbeschikking bevat de overige voorwaarden verbonden aan de besteding en verantwoording van de subsidie en de wijze waarop in het eerste jaar de subsidie wordt vastgesteld. 6.. Voor zover de aanvrager van de subsidiemiddelen zoals vermeld in het vijfde lid na het moment van de eerste aanvraag tot de periodieke aanvragers gaat behoren, zijn de artikelleden 1 t/m 4 op deze aanvrager van toepassing vanaf het eerste jaar volgend op het jaar waarin de eerste aanvraag bij de gemeente is ingediend.

Rechtspraak bij dit artikel