Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Maatwerk bestemming Natuur-Extensief agrarisch medegebruik

Onderdeel van Beleidsregel maatwerk bij zelfrealisatie in het kader van Inrichtingsplan Krimpenerwaard

Uitruil natuurbeheertypen: uitruil van natuurbeheertypen op eigen grond (‘intern salderen’) gelegen binnen de NNN in het plangebied van het bestemmingsplan, mits dat onderbouwd een betere of ten minste gelijkwaardige ecologische kwaliteit oplevert op beide locaties, én door inrichting ook een efficiënter beheer (bv betere ontsluiting e.d.) kan plaatsvinden (beperkte clustering van natuurbeheertypen) zonder dat dit ten kosten gaat van het mozaïekbeheer en het behalen van de waternatuurdoelen. Uitruil tussen de bestemming ‘Natuur’ en ‘Natuur – Extensief agrarisch medegebruik’ is niet toegestaan. Beide locaties in de ‘uitruil’ dienen van vergelijkbare ordegrootte (in hectaren) te zijn en geen negatieve invloed te hebben op de waternatuurdoelen die gekoppeld zijn aan de natuurdoeltypen op het land.’ Flexibele maaidata: eerder maaien (vanaf 15 mei) is mogelijk indien overlegd én met toestemming van het Natuurbeheercollectief en indien nodig om de ecologische kwaliteit te bereiken (bv verruiging /storingssoorten) en indien niet nadelig voor weidevogels (nesten/ kuikens). Dit betreft specifiek ‘ontwikkelingsbeheer’ (eerste zes jaar, soms ook in de tweede zes jaar). Beweidingsdichtheid: uitgangspunt vormt de norm in het Inrichtingsplan, doch gemiddeld GVE/ha per jaar (per natuurtype) over de gehele oppervlakte van een natuurbeheertype op het grondgebied van een zelfrealisator (eigendom en pacht) binnen het NNN in het plangebied van het bestemmingsplan. Hierdoor is tijdelijk/plaatselijk hogere veebezetting mogelijk op de huiskavels rondom de boerderij en lagere dichtheden op de verder van de boerderij gelegen percelen. Overall gemiddeld moet het binnen de norm van het inrichtingsplan blijven. Indien het gemiddelde boven de norm ligt, is de conclusie dat zelfrealisatie niet mogelijk is. Toepassing van mest: Voor de beoordeling van de toepassing van de in het Inrichtingsplan genoemde normen, mag gebruik worden gemaakt van omrekening naar nutriëntgehalten vaste/ruige mest (en dunne mest indien toegestaan) conform de openbaar gepubliceerde omrekeningstabel van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland, die erop neerkomt dat de normen van tonnage/ha uit het inrichtingsplan worden omgerekend naar gemiddeld N/P gehalte/ha voor een bepaald mesttype over het totale grondoppervlak van een zelfrealisator binnen het natuurbeheertype ‘vochtig weidevogelgrasland’, en over het totale grondoppervlak van een zelfrealisator binnen het natuurbeheertype ‘kruiden- en faunarijk grasland’, voor zover deze zijn gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan. (zie tabellen te vinden op: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mest/gebruiken-en-uitrijden) Dit houdt niet in dat de algemene N/P hoeveelheid/ha/jaar-norm van de RVO voor ‘natuurgrasland’ kan worden gehanteerd (die namelijk sterk afwijkt van de normen uit bestemmings- en Inrichtingsplan). Mozaïekbeheer: mozaïekbeheer is per definitie maatwerk, uitgaan van maximaal mogelijk maatwerk afhankelijk van de oppervlakte natuurbeheertypen op het niveau van de grondeigendommen in het NNN van de zelfrealisator, met de plicht van onderzoek naar weidevogels elk voorjaar, door overleg met het Natuurbeheercollectief en afgestemd met het beheer van het omliggende gebied. De norm van een mozaïek van zes maaidata uit het Inrichtingsplan geldt namelijk op het niveau van de gehele polder of compartimenten daarvan, niet op het niveau van het grondgebied van één zelfrealisator. Het verkrijgen van mozaïekbeheer bij een zelfrealisator met 1 perceel is niet mogelijk. Mozaïekbeheer moet in een groter geheel beschouwd worden. Beoordeling vindt vooral plaats met het oog op het realiseren van de bestemming ‘Natuur- Extensief agrarisch medegebruik’, in mindere mate van het ontwikkelingsbeheer. Er moet wel degelijk aandacht voor zijn, maar de uitvoering vergt ook maatwerk, een intensieve begeleiding en samenwerking met het Natuurbeheercollectief, en mogelijk extra financiële impuls (SKNL en SNL subsidie) omdat het een beheer in meer intensievere vorm vergt. Binnen de bestemming ‘Natuur – Extensief agrarisch medegebruik’ kwalificeren activiteiten als beweiden en maaien niet meer als extensief agrarisch medegebruik indien deze zodanig zijn dat deze niet bijdragen aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden van het veenweidelandschap. Oftewel indien het gebruik gericht is op opbrengstmaximalisatie en niet aangepast is aan de natuurdoelstellingen die ter plaatse gelden. Voor alle maatwerk activiteiten geldt dat de aard en intensiteit van de activiteiten zodanig dienen te zijn dat agrarische en natuurbelangen verenigd zijn en dat er met het gebruik de natuurdoelstellingen worden behaald.

Rechtspraak bij dit artikel