Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Toetsing aan de criteria van de Wgv

Onderdeel van Gebiedsvisie in het kader van de geurverordening

In artikel 8 van de Wgv zijn vier criteria opgenomen waar rekening mee moet worden gehouden bij het vaststellen van een andere waarde of afstand in een geurverordening. Deze criteria zijn: de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied; het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging; de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu; de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied. A. De huidige en de te verwachten geursituatie De huidige en de te verwachten geursituatie is kwalitatief geschetst in dit onderzoek. Kwalitatief is gesteld dat de geur van melkrundveehouderijen onderdeel is van de leefomgeving in dit gebied. Gelet op de veehouderijen nabij geurgevoelige objecten, zal er door de halvering van de afstand, in de toekomst mogelijk sprake zijn van een toename in geurlast op deze omliggende geurgevoelige objecten. Ondanks de kortere afstanden in deze situatie kan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gesproken voor wat betreft geur. De afstanden voldoen aan de bandbreedte geboden door de Wgv. Daarnaast is veelal sprake van een bestaande situatie, waarbij ook in de toekomst uitbreiding van de veehouderij niet mogelijk is gezien de huidige afstand. B. Het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging Het is bijvoorbeeld niet wenselijk dat andere milieueisen voor de geurbelasting leiden tot aanzienlijk toename op andere milieucompartimenten, zoals ammoniakemissie of energieverbruik. In geval van diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld (varkens, kippen of vleesvee) zou dit een factor van belang kunnen zijn. In de gemeente Vijfheerenlanden zal het ene melkveehouderijbedrijf stoppen, terwijl het andere uitbreidt. Omdat melkveehouderijbedrijven grondgebonden zijn, kan worden aangenomen dat het aantal stuks rundvee binnen de gemeente (nagenoeg) niet zal toenemen. Verder stelt het Besluit emissiearme huisvesting eisen aan de maximale ammoniakemissie bij nieuw te bouwen stallen. Hierdoor zal de ammoniakemissie binnen de gemeente per saldo dalen. Het toepassen van emissiearme stalsystemen bij de melkrundveehouderijbedrijven leidt niet tot een toename van de druk op andere milieucompartimenten, zoals het energieverbruik of emissies van fijnstof. Er is geen reden om te veronderstellen dat de aanpassing van de vaste afstanden leidt tot een aanzienlijk toename van hinder of schade vanuit de andere milieucompartimenten. C. De noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu Dit wil zeggen dat het bereikte niveau van bescherming even hoog is ingeval van een toets over het hele gebied (alle bedrijven), als in het geval van een toets van het individuele bedrijf. Vooral bij geuremissiedieren en zeer intensieve bedrijven is stapeling van de geureffecten van verschillende bedrijven een belangrijke factor. Toepassing van dit criterium is in dit geval niet relevant. D. De gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied De gewenste ruimtelijke inrichting, zoals geschetst in hoofdstuk 3, is de grondslag voor het vaststellen van een verordening. Met de criteria genoemd in artikel 8 van de Wgv is voldoende rekening gehouden om een verordening vast te kunnen stellen. Met de zorgvuldige afweging die in deze gebiedsvisie heeft plaatsgevonden, kan een verordening worden vastgesteld.

Rechtspraak bij dit artikel