In dit slothoofdstuk wordt ingegaan op de procedure nadat de afwegingscriteria en het stroomschema zijn gevolgd.
5.1 Besluitvorming
Voorbereiding
Als na het volgen van de afwegingscriteria en het stroomschema blijkt dat cameratoezicht nuttig kan zijn, wordt ter voorbereiding van het besluit een advies opgesteld. Onderdeel daarvan is de eerder genoemde veiligheidsanalyse. Het advies bevat ook aanvullende informatie van andere relevante partijen en een inventarisatie van afspraken die met andere partijen moeten worden gemaakt. In het advies worden ook het doel en de maatregelen beschreven die aanvullend worden ingezet om dat doel te bereiken.
Besluit
De burgemeester neemt, na afstemming met de officier van justitie (OM) en de politie in de lokale driehoek, een gemotiveerd besluit. Dit overleg is noodzakelijk omdat het aanpakken van onveiligheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van lokaal bestuur en Openbaar Ministerie en omdat de door de camera’s gemaakte beelden onder voorwaarden kunnen worden gebruikt voor de opsporing en vervolging. Dit overleg betekent niet dat de officier moet instemmen: de burgemeester blijft vrij om te besluiten waar en hoe lang de camera’s worden opgehangen.
Gebiedsaanwijzing
Anders dan voorheen is geen specifiek plaatsingsbesluit meer nodig waarin de plaatsing van iedere afzonderlijke camera wordt vastgelegd. In plaats daarvan is er de gebiedsaanwijzing waarin wordt bepaald binnen welk gebied de camera’s geplaatst en verplaatst mogen worden. Deze gebiedsaanwijzing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het cameratoezicht geldt voor een afgebakend gebied en periode. Het gebied waarin de camera(‘s) wordt/worden gebruikt mag niet groter zijn dan strikt noodzakelijk ter handhaving van de openbare orde. Dat kan betekenen dat het gebied niet groter is dan een bepaalde plaats, bijvoorbeeld een plein.
Vervolgens informeert de burgemeester de gemeenteraad over het genomen besluit.
5.2 Implementatie
Na het genomen besluit volgt de implementatie.
Informatieplicht / kenbaarheid
Cameratoezicht mag niet heimelijk plaatsvinden en moet altijd breed worden gecommuniceerd. Het besluit waarin de burgemeester bekendmaakt dat er camera's worden geplaatst wordt gepubliceerd op www.overheid.nl en in het digitale gemeenteblad. Inwoners hebben de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen.
Het informeren van het publiek kan door middel van het zichtbaar ophangen van de camera’s, maar ook door het plaatsen van borden, waarop wordt aangegeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt.
Duur toezicht
Voordat wordt gestart met cameratoezicht geeft de burgemeester aan hoe lang de camera’s mogen blijven hangen. In de gemeentewet staat dat de plaatsing van camera’s altijd aan een bepaalde duur gekoppeld wordt. Om een goede beoordeling te kunnen maken, wordt in de gemeente Vlaardingen de duur van plaatsing altijd aan een evaluatie (paragraaf 5.3) verbonden. Als uit de evaluatie blijkt dat na het verstrijken van het termijn het cameratoezicht nog steeds noodzakelijk is, kan de burgemeester de periode verlengen.
In Vlaardingen is in 2018 besloten8 Raadsvoorstel tot instemming met het voorgenomen besluit van de burgemeester het cameratoezicht te verlengen voor een periode van 8 jaar het vaste cameratoezicht in het (uitgaans)centrum te continueren voor een periode van acht jaar. Daarna volgt opnieuw een evaluatie. Gezien de situatie is de verwachting dat het karakter van de huidige locaties in Vlaardingen niet wezenlijk wijzigt en dat cameratoezicht de komende jaren daar aanwezig blijft.
Flexibel cameratoezicht wordt ingezet voor een periode van maximaal drie maanden (exclusief de tijd benodigd voor op- en afbouw). De camera’s worden ingezet om de aanpak in een gebied een stevige impuls te geven. Na afloop van de drie maanden kan er worden verlengd met nog eens drie maanden. Voor een verlenging kan worden gekozen wanneer de openbare orde sterk onder druk heeft gestaan en sinds de inzet van cameratoezicht tot rust is gebracht. De relatieve rust kan een precair karakter hebben en om die reden kan de inzet van camera’s de integrale aanpak langer blijven ondersteunen. Een gebied kan dan opnieuw worden aangewezen.
5.3 Evaluatie
De burgemeester is wettelijk verplicht om de inzet van camera’s periodiek te evalueren, om te kunnen beoordelen of het cameratoezicht (op een specifieke locatie) nog steeds noodzakelijk is en past binnen de gestelde uitgangspunten. Na afloop van de gebiedsaanwijzing wordt de inzet daarom geëvalueerd.
Op basis van die evaluatie, met de daarbij horende toets op noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit, wordt bepaald of cameratoezicht nog steeds een passende maatregel is. De inzet kan dan voor drie maanden worden verlengd. Zo niet, dan wordt het flexibel cameratoezicht beëindigd. Het kan ook aanleiding zijn om te besluiten het cameratoezicht langdurig in te zetten.
Artikel 5
- Besluitvorming, implementatie en evaluatie
Onderdeel van Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Vlaardingen houdende regels omtrent cameratoezicht