Naar hoofdinhoud
Bij het vaststellen van de Lokale Maximale Waarden (LMW) is rekening gehouden met de daadwerkelijke bodemgebruiksfunctie in relatie tot eventuele gebruiksrisico’s. Op deze wijze wordt het gewenste beschermingsniveau nader gespecificeerd en wordt gestuurd in de toepassingsmogelijkheden voor grond en baggerspecie. De gemaakte Gebiedsspecifieke keuzes hebben enerzijds betrekking op een bepaalde bodemkwaliteitszone of een deelgebied van die zone (zone gerelateerd) en anderzijds op algemene toepassingen die niet gerelateerd zijn aan een bepaalde zone of een bepaald deelgebied van die zone, maar in principe in alle zones voor kunnen komen (niet-zone gerelateerd). De Gebiedsspecifieke beleidsregels die niet-zone gerelateerd zijn, zijn uitgewerkt in paragraaf 5.4. De Gebiedsspecifieke beleidsregels die aan een zone gerelateerd zijn, zijn uitgewerkt in paragraaf 5.5. Niet voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone is een Gebiedsspecifieke toepassingseis vastgesteld. In sommige zones is dat niet nodig en kan volstaan worden met de Generieke toepassingseis die geldt vanuit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. Let op: Omdat het Gebiedsspecifieke bodembeleid dus niet alleen voor zones geldt, maar ook voor een aantal niet-zone gerelateerde thema’s, moet bij toepassing van grond en bagger niet alleen de Toepassingskaart, maar ook de tekst van deze Nota, gebruikt worden om na te gaan of de toepassing toegestaan is. In par. 6.2 is hiervoor een Stappenschema voor het grondverzet opgenomen.

Rechtspraak bij dit artikel