Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.4.6

Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden houdende regels omtrent grondverzet en bodemsanering

In de gemeente Vijfheerenlanden zijn veel (voormalige) boomgaardpercelen gelegen. Alle (voormalige) boomgaardpercelen zijn ingetekend op een digitale kaartlaag (op basis van oude topografische kaarten van meerdere jaargangen), zodat de percelen die verdacht zijn op bestrijdingsmiddelen (OCB’s) voor een ieder zichtbaar zijn. De kaartlaag met boomgaard- percelen kan geraadpleegd worden op het Geoloket van de ODRU (www.odru.nl). Een weergave van deze kaart is opgenomen in bijlage 6 van deze Nota. Op (voormalige) boomgaardpercelen zijn veelvuldig bestrijdingsmiddelen gebruikt. Uit onderzoek is gebleken dat vooral de stoffen DDT/DDD/DDE, Drins en HCH verhoogd kunnen worden voorkomen op deze percelen. De concentraties van bestrijdingsmiddelen kan worden vastgesteld door de bodem te onderzoeken op de zogeheten organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB’s). In het begin van de jaren ’40 van de vorige eeuw werd het zeer persistente DDT ontwikkeld. DDT is, net als de andere OCB’s, zeer moeilijk afbreekbaar waardoor de concentraties van deze stof hoger worden naarmate er meer op de bodem terecht komt. Tot begin van de jaren ’70 werd DDT nog op grote schaal toegepast in de land- en tuinbouw. In Nederland is het gebruik van DDT sinds 1973 verboden. Ook het gebruik van de meeste andere OCB’s is inmiddels verboden. De OCB’s hopen zich op in de toplaag van de bodem, daarom wordt standaard, in eerste instantie, alleen de toplaag van de bodem op OCB’s onderzocht (tot een diepte van maximaal 0,3 meter beneden het maaiveld). De mate van verontreiniging van de toplaag met OCB’s kan variëren van licht tot sterk verontreinigd. Generieke kader Omdat bestrijdingsmiddelen zich vaak in de toplaag van (voormalige) boomgaardpercelen ophopen, wordt deze laag (0 – 0,3 m -mv) aangemerkt als bodemverdacht. Deze laag zal dan ook altijd eerst onderzocht moeten worden op bestrijdingsmiddelen (OCB’s) om de mate van verontreiniging vast te stellen. Vaak blijkt dat de bovengrond op (voormalige) boomgaardpercelen, vanwege de gemeten concentraties aan bestrijdingsmiddelen, gekwalificeerd wordt als klasse Industrie-grond of Niet toepasbare grond. Dat betekent dat vrijkomende grond in het Generieke kader niet hergebruikt kan worden en afgevoerd moet worden naar een erkend verwerker. Gebiedsspecifieke kader De kwalificatie klasse Industrie-grond of Niet Toepasbare grond is voor bestrijdingsmiddelen in grond hoofdzakelijk gebaseerd op het toetsingsresultaat van de ecologische risico’s. Bestrijdingsmiddelen in de grond vormen bijna nooit een risico voor de mens. De grenswaarden waarbij er sprake is van humane risico’s liggen namelijk vele malen hoger dan de grenswaarden waarbij sprake is van ecologische risico’s. Ook de verspreidingsrisico’s voor bestrijdings- middelen in de grond zijn laag, omdat de bestrijdingsmiddelen zich goed aan de grond binden. Deze constateringen bieden mogelijkheden om hergebruik van deze grond, onder voorwaarden, toe te staan door gebruik te maken van het stand-still principe. De bodemkwaliteit mag op het niveau van bodemheergebied niet verslechteren. In de gemeente Vijfheerenlanden komen veel (voormalige) boomgaardpercelen voor en er vindt ook regelmatig grondverzet plaats op en tussen (voormalige) boomgaardpercelen. Door het opstellen van Gebiedsspecifieke beleidsregels kan de gemeente, onder voorwaarden, uitwisseling van OCB- verdacht grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen op een milieuverantwoorde en duurzame wijze mogelijk maken zonder dat daarmee de heersende bodemkwaliteit verslechterd. De gemeente heeft daarom de volgende Gebiedsspecieke beleidsregel voor dit beleidsonderdeel vastgesteld. De hoofdregel van het Gebiedsspecifieke kader voor dit beleidsonderdeel is: Het uitwisselen van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen is toegestaan als aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt. Voor bestrijdingsmiddelen zijn Lokale Maximale Waarden (LMW) vastgesteld. Deze zijn gelijk aan de interventiewaarde van de betreffende stof. Daarmee wordt een matig ecologisch beschermingsniveau gewaarborgd en worden humane risico’s uitgesloten. Uitwisselen van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen: Het uitwisselen van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen is toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De toplaag (tot maximaal 0,3 m -mv) is conform de NEN 5740 (onderzoeksstrategie VED-HE) onderzocht op OCB’s en de gemeten gehalten liggen voor alle onderzochte OCB’s onder de interventiewaarde én de toepassing voldoet ook aan de toepassingseisen die gelden ten aanzien van de overige parameters De OCB-verdachte grond komt vrij van een (voormalig) boomgaardperceel dat gelegen is binnen het eigen of het uitgebreide bodembeheergebied. Zie par. 5.2 De grond wordt niet toegepast op (voormalige) boomgaardpercelen die zijn gelegen in een gebied met een gevoelige functie. Zie par. 5.4.2. Het perceel waaruit de grond vrijkomt (herkomstperceel) en het perceel waar de grond wordt toegepast (toepassingsperceel) mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Toepassingsbereik Deze Gebiedsspecifieke beleidsregel voor het uitwisselen van grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen geldt voor zowel voor het eigen als voor het uitgebreide bodembeheer- gebied. Zie par. 5.2.

Rechtspraak bij dit artikel