Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.4.7

Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden houdende regels omtrent grondverzet en bodemsanering

Het verrichten van graafwerkzaamheden ten behoeve van kabels, leidingen en rioleringen is een veel voorkomende activiteit in de bodem. Hierbij wordt de vrijkomende grond veelal weer teruggeplaatst. Veel van deze activiteiten vallen onder het begrip tijdelijke uitname. In bijlage 7 van deze Nota is hiervan een samenvatting opgenomen. Generieke kader Volgens de regels uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit dient bij het ontgraven van grond rekening te worden gehouden met de grondsoort, de chemische kwaliteit van de grond en de hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de grond. Het tijdelijk uitnemen en daarna weer terugplaatsen van de grond, zonder het uitvoeren van onderzoek naar de chemische kwaliteit, is alleen mogelijk als: De grond onder dezelfde condities en op dezelfde plek weer wordt teruggeplaatst, zonder te zijn bewerkt; Verschillende grondlagen gescheiden ontgraven worden; Uitgesloten kan worden dat de grond ernstig verontreinigd is. Vaak is gescheiden ontgraven niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat de grond al geroerd is door eerdere graafwerkzaamheden. Gescheiden ontgraven betekent dat de ontgraven grond tijdelijk gescheiden opgeslagen moet worden. Hier is niet altijd ruimte voor (bijvoorbeeld in stedelijk gebied). Het gescheiden ontgraven brengt meerkosten met zich mee en is niet in alle gevallen doelmatig. Gebiedsspecifieke kader Door het vaststellen van een Gebiedsspecifieke beleidsregel, maakt de gemeente het onder voorwaarden mogelijk, niet gescheiden ontgraven grond, weer terug te plaatsen. Op onverdachte locaties kan de bodemkwaliteitskaart (Ontgravingskaart) gebruikt worden om aan te tonen dat de grond niet ernstig verontreinigd is. Zie par. 8.2, waarin wordt beschreven welke eisen worden gesteld aan het (historisch) vooronderzoek bij projectmatige ontgravingen. De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is: Bij aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en is het, onder voorwaarden, toegestaan de verschillende bodemlagen niet gescheiden van elkaar te ontgraven en de ontgraven grond in geroerde toestand weer terug te plaatsen. Het niet gescheiden ontgraven van grond ten behoeve van de aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en riolering, en vergelijkbare projectmatige ontgravingen, is toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De ontgraving is nuttig en functioneel. Dat wil zeggen er wordt niet dieper gegraven en er komt niet meer grond vrij dan nodig is voor het verrichten van het geplande werk Er moet middels een (historisch) vooronderzoek aangetoond kunnen worden dat de bodem op de locatie waar de graafwerkzaamheden uitgevoerd worden, niet ernstig verontreinigd is. Zie par. 8.2.2 De hoeveelheid bodemvreemd materiaal voldoet aan de eis die voor de betreffende functie geldt. Zie par. 5.4.1. Als de vrijkomende grond niet wordt teruggeplaatst, maar elders binnen de gemeente Vijfheerenlanden wordt hergebruikt, wordt als kwaliteitsklasse voor de toepassing uitgegaan van de kwaliteitsklasse die op de Ontgravingskaart aangegeven wordt. Het staat de acceptant van de grond overigens vrij om de toepasser te vragen om een partijkeuring van de vrijkomende grond.

Rechtspraak bij dit artikel