Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.4.9

Verspreiden van bagger op de landbodem

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden houdende regels omtrent grondverzet en bodemsanering

Generieke kader Baggeren is een veel voorkomende activiteit in gebieden met veel oppervlaktewater. Vaak wordt de bagger direct naast de watergang verspreid, maar daar is niet altijd ruimte voor. De regels voor bagger zijn in het Besluit bodemkwaliteit gelijk gesteld aan die voor grond. Dit geldt althans voor het toepassen van baggerspecie op percelen die niet direct aan de watergang grenzen waar de bagger vandaan komt. Voor het verspreiden van baggerspecie op aan de watergang grenzende percelen, incl. de tijdelijk opslag van bagger in een weilanddepot, is in het Besluit en in de Regeling bodemkwaliteit een apart toetsingskader opgenomen. Binnen het Generieke kader mag baggerspecie op aangrenzende percelen verspreid worden (en daaraan voorafgaand tijdelijk opgeslagen worden in een weilanddepot), als de bagger voldoet aan de verspreidingsnorm (zie Regeling bodemkwaliteit) of afkomstig is uit een onverdachte watergang. Een watergang is al snel verdacht en verspreiden van bagger op aangrenzende percelen is niet altijd mogelijk (bijvoorbeeld in stedelijk gebied). De gemiddelde baggerkwaliteit in Vijfheerenlanden varieert van vrij verspreidbaar (schone bagger), verspreidbaar (licht tot matig verontreinigd) tot niet verspreidbaar (matig of sterk verontreinigd). Binnen het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit mag de verspreidbare baggerspecie niet verder verspreid worden dan op aan de watergang grenzende percelen. Let op: De ruimte om verspreidbare ongerijpte bagger op aangrenzende percelen te verspreiden gaat, bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1-1-2021), naar alle waarschijnlijkheid verruimd worden naar maximaal 10 km vanaf de te baggeren watergang(en). Tegelijk wordt de toetsing van de bagger op verspreidbaarheid strenger, doordat meer dan nu, rekening gehouden wordt met risiconormen voor natuur- en landbouwgebruik. Gebiedsspecifieke kader Er worden regelmatig baggerwerkzaamheden uitgevoerd in de gemeente Vijfheerenlanden, onder andere door de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Rivierenland). Het afvoeren van baggerspecie naar een erkend verwerker, brengt veel transport- en verwerkingskosten met zich mee en is niet duurzaam vanwege de grote aantallen transportbewegingen die nodig zijn om de bagger af te voeren. Bovendien is het van belang om, waar mogelijk, grond en bagger in hetzelfde gebied te houden om de voortdurende bodemdaling enigszins te kunnen compenseren. Het is door het vaststellen van een Gebiedsspecifieke beleidsregel mogelijk om het verspreiden en toepassen van licht tot matig verontreinigde baggerspecie op de landbodem te verruimen. Hierdoor kunnen veel kosten worden bespaard en kunnen baggerwerkzaamheden kosteneffectief en duurzaam uitgevoerd worden. De gemeente Vijfheerenlanden heeft daarom voor deze mogelijkheid gekozen en een Gebiedsspecifieke beleidsregel vastgesteld die het mogelijk maakt om verspreidbare bagger ook buiten de aan de te baggeren watergang grenzende percelen te kunnen verspreiden. Dit wordt mogelijk gemaakt door een ruimere invulling te geven aan het begrip “aangrenzende percelen”. Dit begrip wordt ingevuld als “alle percelen die zijn gelegen binnen dezelfde bodemkwaliteitszone als de watergang waar de bagger uit afkomstig is”. De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is: Verspreiding van verspreidbare ongerijpte baggerspecie, is aanvullend op het Generieke kader, ook buiten aangrenzende percelen toegestaan als aan de gestelde volgende voorwaarden voldaan wordt. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden zijn: De bagger is afkomstig uit een watergang die gelegen is op aangrenzende percelen volgens de verruimde definitie De bagger is onderzocht conform de NEN 5720 (waterbodemonderzoek) en de bagger is gekwalificeerd als verspreidbaar; of De bagger is afkomstig van een onverdachte watergang, blijkens een, conform de NEN 5717 uitgevoerd, (historisch) vooronderzoek voor waterbodems De op de landbodem op te brengen laagdikte en hoeveelheden moeten nuttig en functioneel zijn en mogen andere waarden of functies van de bodem geen blijvende schade toebrengen. De te verspreiden baggerlaag mag daarom niet dikker zijn dan 0,3 meter. Deze laatste voorwaarde wordt hieronder verder toegelicht: De aerobe afbraak van organische verontreinigingen in de bagger worden ernstig bemoeilijkt als baggerspecielagen dikker dan 30 cm worden aangebracht. Daarom wordt dit als maximaal wenselijk aan te brengen laagdikte beschouwd. Dit sluit ook het meest aan bij bepalingen uit bestemmingsplannen in het buitengebied. Wanneer een dikkere laag baggerspecie dan 0,3 m op de landbodem wordt aangebracht, is bovendien in de meeste gevallen een Omgevings- vergunning (aanlegvergunning) vereist. Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is alleen van toepassing op het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden. Omdat de geldende Gebiedsspecifieke eisen aanvullend zijn op de eisen die voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen in het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit opgenomen zijn, blijft het mogelijk om ook verspreidbare bagger uit te wisselen met buurgemeenten, mits de bagger afkomstig is uit en toegepast wordt op percelen die aan (één van) de watergangen grenzen die gebaggerd worden. Hierdoor wordt de huidige ruimte voor het verspreiden van bagger door het vaststellen van de Gebiedsspecifieke beleidsregel niet beperkt, maar juist uitgebreid ten opzichte van de regels uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit.

Rechtspraak bij dit artikel