| Aanbouw | Bouwwerk dat in directe verbinding staat met het (hoofd)gebouw, waaraan het is gebouwd en dat een toevoeging van een afzonderlijke ruimte betreft. |
| Achtererfgebied | Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw. |
| Afgewolfd | De nok van een zadeldak loopt niet door tot de geveleinden, maar wordt met een driehoekig dakschild of dakvlak afgesloten. Term die gebruikt wordt wanneer een uiteinde van de nok van een zadeldak is afgeschuind. |
| Arbeiderswoning | Klein type woonhuis oorspronkelijk voor arbeiders en ambachtslieden. Veelal twee aan twee of in een rijtje van verscheidene woningen. |
| Bedrijfswoning / | Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) |
| Dienstwoning | een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. |
| Bijgebouw | Een gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. |
| Bouwblok | Een geheel van geschakelde bebouwing. |
| Bouwwerk | Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. |
| Bouwlaag | Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. |
| Buitenplaats | Een historische buitenplaats is aangelegd. Zij kan deel uit maken van een landgoed. Het geheel wordt met name gevormd door een, eventueel thans verdwenen, in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met een of meer van de volgende onderdelen: grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen, ornamenten. |
| Dakkapel | Klein uitspringend venster dat het hellende dakvlak onderbreekt, aangebracht om lucht en licht onder de kap toe te laten. |
| Dakopbouw | Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert. |
| Dakschild | Elk der hellende en elkaar snijdende vlakken van een dak. |
| Damwandprofiel | Metalen beplantingmateriaal. |
| Delftse School | Traditionalistische sobere bouwstijl (ca. 1925-1955) ontstaan rondom de Delftse hoogleraar Grandpré Molière. Inspiratiebron is de traditionele Nederlandse baksteenarchitectuur. |
| Detaillering | Een klein toegevoegd onderdeel wat een bijzonderheid aangeeft. |
| Dwarshuisboerderij | Boerderij waarbij het woonhuisgedeelte dwars op het achterhuis van de boerderij is geplaatst. Beide delen zijn voorzien van een eigen dak. |
| Erker | Ronde, vierkante of veelhoekige uitkragende uitbouw aan de gevel, die vaak uitsteekt langs een of meer bouwlagen: kan gezien worden als een uitgebouwd venster. |
| (Gevel)geleding | Elementen van een gebouw die de indeling van wanden of gevels bepalen of accentueren zoals pilasters, lisenen en lijsten. |
| (Gevel)indeling | Compositie van de gevel. De indeling van bijvoorbeeld raamopeningen over de gevel. |
| Hallenhuis | Boerderij naar het Saksische type, het ‘los hoes’: zware gebinten die een middenbeuk begrenzen, vormen het geraamte, waarbij aan weerszijden de lagere zijbeuken aansluiten. De plattegrond bestaat uit een langwerpige rechthoek, aan de ene smalle zijde de inrit naar de middenbeuk of deel, links en rechts hiervan de lage veestallen in open verbinding met de deel. |
| Hoofdgebouw | Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken. |
| Hoofdvorm | Oorspronkelijk de vorm van het eerste deel. |
| Kamp | Een individuele, blokvormige ontginning met bewoning op de kavel. De ontginning was in veel gevallen omgeven door een houtwal of een heg. |
| Kampenlandschap | Landschap ontstaan door ontginning in de vorm van kampen in het zandgebied. |
| Kaprichting | Richting waarnaar de lange zijde van een kap georiënteerd is. |
| Kasteel | Een versterkte en verdedigbare woning van een edelman. |
| Kozijn | Omlijsting van steen, hout of ijzer, bestaand uit de onder- of bovendorpel en twee of meer stijlen, om een ingang of lichtopening te omlijsten en er een raam, deur of luik in te bevestigen |
| Kwalitatief Referentiebeeld | Gewaardeerd beeld waarnaar men zijn handelen of denken kan richten. |
| Landgoed | Geheel of gedeeltelijk met bossen of andere houtopstanden bezette terreinen, daaronder begrepen die waarop een buitenplaats voorkomt, voor zover het blijven voortbestaan van die terreinen in de bestaande toestand voor het behoud van het natuurschoon wenselijk wordt geacht. |
| Landhuis | Royaal opgezet woonhuis in de regel vrijstaand of twee onder een kap gebouwd. Vertoont qua bouwstijl invloeden van stromingen. |
| Langhuisboerderij | Boerderij waarbij het woonhuis en het achterhuis onder een dak in elkaars verlengde liggen. |
| Lessenaarsdak | Een dak dat bestaat uit een hellend dakschild of dakvlak volgens het model van de oude lessenaar. |
| Linie | Een reeks van verdedigingswerken die elkaar ondersteunen. |
| Lint(bebouwing) | Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of veenrivier. |
| Mansardedak | Een gebroken dakvorm die door de Fransman Mansard (ca. 1660) is ontwikkeld ten behoeve van meer zolderruimte voor slaapvertrekken. In eenvoudige vorm veel toegepast bij kleine woningen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. |
| Nok | Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, bovenste rand van een dak. |
| Nokvulling | De in een topgevel onder de nok aanwezige houten schoren opgevuld met decoratief uitgezaagde panelen. |
| Ondergeschikt | Voert niet de boventoon. |
| Ontginning | Het gebruiksklaar maken van woeste gronden voor agrarische productie en/of bewoning. |
| Ornamenten | Versieringen aangebracht op de buitenkant van een bouwwerk. |
| Overstek | Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzicht van het eronder gelegen deel. |
| Parcellering | De mate van indeling van percelen. Deze indeling van breedtes en hoogtes van bouwwerken bepaalt het straatbeeld. |
| Pilaster | Weinig uitspringende, band- of liseenachtige, van een basement, een schacht en een kapiteel voorziene muurpijler, dienende om een muraalboog ofwel een hoofdgestel te dragen. |
| Plint | Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw. |
| Portiek | Vaak ingebouwde, aan de straatzijde geheel open ruimte, waarin zich de ingang van een gebouw bevindt. |
| Rooilijn | Richtlijn waarin gebouwen worden geplaatst en die de grens aangeeft met de openbare weg. Ook wel: de plaats die de lijn van de voorgevel bepaalt. |
| Samengesteld | Uit verschillende bestanddelen gevormd, bijvoorbeeld een groot venster gevormd door middel van een aantal kleine samengevoegde vensters. |
| Situering | Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving. |
| Stucwerk | In pleisterkalk uitgevoerd werk. |
| Tentdak | Dak met vier of meer gelijkbenige driehoekige schilden, die samenkomen in een punt. |
| Textuur | De voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk). |
| Traditioneel | Zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher. Onder traditionele kleuren worden in de meeste gevallen donkere tinten verstaan, zoals (donker)bruin, donkerrood, antraciet e.d. |
| Uitbouw | Ruimte in een gebouw die naar buiten steekt. |
| Villa | Aanduiding voor een vrijstaande, aanzienlijke woning. De stadsvilla is ontwikkeld in de tweede helft van de 19e eeuw toen het voor een grotere groep stedelingen financieel mogelijk werd huizen te laten bouwen te midden van veel groen. De inspiratiebron was de middeleeuwse bouwtraditie van vakwerkhuizen. De nadruk lag op een onregelmatige gevormde dakpartij en een asymmetrische gevelopbouw. Karakteristiek zijn het siermetselwerk, de houten topgeveldecoratie, de gedeeltelijke bepleistering van de gevels of het siermetselwerk in gekleurde baksteen of natuursteen op constructieve punten. |
| Voorerfgebied | Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied. |
| Windveer | Plank bevestigd langs de kanten van een rieten of pannendak ter afdekking van de voorraad. De windveer is vaak decoratief uitgesneden. |
| Woning | Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding. |
| Zadeldak | Dak, bestaande uit twee tegen elkaar geplaatste hellende schilden. |
Bewaren kan ook zonder account
Houd art. Bijlage bij de hand
Met een gratis account kun je dit artikel bewaren, tekst markeren en jezelf overhoren. Dat werkt op je laptop en op je telefoon.
- Geen reclame
- Je markeringen blijven van jou
- Werkt op je telefoon