Om te kunnen beoordelen of bijzondere bijstand kan worden toegekend en (indien van toepassing) wat de hoogte daarvan moet zijn, vindt er een draagkrachtberekening plaats.
Bij bepaling van de draagkracht wordt uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen. Dit zijn inkomens- en vermogensbestanddelen die niet buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de vaststelling van de draagkracht.
De wetgever heeft het bij de verstrekking van bijzondere bijstand volledig aan de gemeente overgelaten welke middelen zij in aanmerking wil nemen.
In aanmerking te nemen middelen
Bij de draagkrachtbepaling zijn de in aanmerking te nemen middelen gelijk aan de middelen genoemd in de artikelen 31 t/m 34 Pw (die geldend zijn bij beoordeling van het recht op algemene bijstand). Dit betekent dat alle in de genoemde artikelen vermelde vrijstellingen van toepassing zijn. De hier genoemde in aanmerking te nemen middelen, zowel betrekking hebbend op inkomen als vermogen, zijn van toepassing bij de draagkrachtbepaling in alle gevallen van bijzondere bijstandsverlening. Dit is alleen anders indien in deze nota bij specifieke soorten bijzondere bijstand expliciet anders is bepaald (zie ook hieronder bij 'Uitzonderingen').
Toepasselijke bijstandsnorm
Bij het vaststellen van de draagkracht wordt het in aanmerking te nemen inkomen afgezet tegen de toepasselijke bijstandsnorm. Onder toepasselijke bijstandsnorm wordt in deze nota verstaan; in geval van:
verblijf in inrichting: de op grond van het eerste of derde lid van artikel 23 Pw toepasselijke norm, verhoogd met het toepasselijke bedrag genoemd in artikel 23 lid 2 Pw.
verblijf niet in inrichting: de norm die afhankelijk van de leeftijd toepasselijk is op grond van de artikelen 20 t/m 22a en 24 Pw.
Indien aan jongeren van 18, 19 of 20 jaar reeds bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Pw wordt verstrekt, wordt onder toepasselijke bijstandsnorm verstaan de betreffende norm genoemd in artikel 21 Pw.
Draagkrachtberekening
De draagkracht wordt berekend over de in aanmerking te nemen middelen met inachtneming van de toepasselijke bijstandsnorm.
De draagkracht bedraagt:
0% van het in aanmerking te nemen inkomen tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, plus;
20% van de eerste € 400,-- van het in aanmerking te nemen inkomen boven de 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, plus;
100% van het meerdere in aanmerking te nemen inkomen, plus;
100% van het in aanmerking te nemen vermogen.
De draagkrachtberekening wijkt alleen af van de hierboven weergegeven methode indien dit in deze nota bij specifieke soorten bijzondere bijstand expliciet is vermeld (zie ook hieronder bij 'Uitzonderingen')
Bij zelfstandigen wordt bij bepaling van de draagkracht in het inkomen uitgegaan van het laatst door de Belastingdienst vastgesteld fiscaal jaar.
Uitzonderingen
Bij de beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand dient voor het bepalen van de draagkracht te worden uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen en de wijze van draagkrachtberekening zoals die hiervoor in deze paragraaf zijn opgenomen.
Hierop is één algemene uitzondering:
Indien een wettelijk (WSNP) of een minnelijk (3-jarig) schuldsaneringstraject wordt doorlopen, wordt de hoogte van het in aanmerking te nemen inkomen gelijk gesteld aan de toepasselijke bijstandsnorm. Dit geldt voor alle soorten bijzondere bijstand met uitzondering van de Collectieve aanvullende zorgverzekering en de Individuele inkomens- en studietoeslag.
Daarnaast dient alleen van de in deze paragraaf opgenomen methode van vaststelling van draagkracht te worden afgeweken indien dit in deze nota bij een specifieke soort bijzondere bijstand expliciet wordt vermeld. De afwijkingen die in deze nota voorkomen kunnen zowel betrekking hebben op de in aanmerking te nemen middelen als op de draagkrachtberekening, als op beiden.
Bij de volgende soorten bijzondere bijstand is sprake van specifieke uitzonderingen op bepaling van de draagkracht:
Collectieve aanvullende zorgverzekering
Participatie schoolgaande kinderen
PC project schoolgaande kinderen
Excursies en werkweken schoolgaande kinderen in voortgezet onderwijs
Bijdrageregeling volwassenen
Individuele inkomenstoeslag
Individuele studietoeslag
Woonkostentoeslag (zowel voor huurders als voor eigenaren)
Vaste lasten woning gedetineerde
Budgetbeheer (indien het beheer in het kader van schuldhulpverlening noodzakelijk is en de afloscapaciteit niet groter is dan een vastgesteld bedrag)
Overbruggingskosten
Zie voor de hierboven genoemde uitzonderingen de hoofdstukken/paragrafen waarin de betreffende onderwerpen zijn opgenomen.
Draagkrachtperiode
De draagkrachtperiode wordt vastgesteld over de periode vanaf de maand van aanvraag plus 11 (totaal 12) maanden. Als deze vaststelling in een bepaald geval niet werkbaar is, wordt een andere periode vastgesteld. Wanneer een aanvraag bijzondere bijstand betrekking heeft op een periodieke voorziening die korter duurt dan 12 maanden, dan wordt de draagkrachtperiode overeenkomstig die duur vastgesteld.