Omdat gelijktijdige toepassing van het bestuursrecht en het strafrecht in bepaalde gevallen een meerwaarde kan hebben, worden in dit document zowel de bestuursrechtelijke als de strafrechtelijke maatregelen beschreven. Beide aanpakken dienen overigens (ten dele) verschillende doelen.
Bij de strafrechtelijke aanpak gaat het om het bestraffen van degene die een overtreding heeft begaan om zodoende normconform gedrag te bewerkstelligen (bestraffing), terwijl het doel van de bestuursrechtelijke aanpak (in beginsel) is om een overtreding te beëindigen of te voorkomen dat een overtreding zich opnieuw voordoet (herstel). Het gaat bij de laatste aanpak dus om het terugbrengen naar, of het houden in een toestand die in overeenstemming is met wet- en regelgeving. De bestuurlijke boete is daarentegen en in vergelijking met de overige handhavingsinstrumenten, zoals de last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom, geen herstelsanctie maar een bestraffende (bestuursrechtelijke) sanctie die door de burgemeester opgelegd kan worden.
In de strafrechtelijke aanpak is de grootste rol weggelegd voor de politie en het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van strafrechtelijke aanpak een ‘eigen’ strafrechtelijk handhavingsbeleid. In deze beleidsregels zal niet nader ingegaan worden op de strafrechtelijke aanpak.
Een aantal bepalingen in de gewijzigde Drank- en Horecawet (waaronder artikel 3 van de gewijzigde Drank- en Horecawet) en de Wet op de Kansspelen (waaronder artikel 30b, eerste lid, van de Wet op Kansspelen), is (tevens) strafbaar op grond van de Wet op de economische delicten (hierna de WED). Deze bepalingen kunnen zowel via het bestuursrecht als het strafrecht gehandhaafd worden. Wel dient opgemerkt te worden, dat het gelet op het ’ne bis en idem’- beginsel niet toegestaan is dat een en dezelfde overtreding (bijvoorbeeld artikel 3 van de gewijzigde Drank- en Horecawet en artikel 30b, eerste lid, van de Wet op de Kansspelen) zowel via het opleggen van een bestuurlijke boete als strafoplegging via de WED bestraft wordt.
In artikel 44a, derde lid, aanhef en onder a. en b., van de Drank- en Horecawet is aanvullend op het voorgaande bepaald, dat het niet mogelijk is om een overtreding via een bestuurlijke boete af te doen indien: de overtreding een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft, dan wel de in de bijlage ter zake van de overtreding voorziene bestuurlijke boete (Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet) wordt overschreden door het met de overtreding behaalde economisch voordeel. De voornoemde overtredingen moeten dan via het strafrecht (strafrechtelijke sanctie) afgedaan worden. De oplegging van een herstelsanctie is uiteraard wel mogelijk.
Tot slot is ten aanzien van artikel 20, zesde lid, artikel 21 en artikel 45 van Drank- en Horecawet bepaald dat deze artikelen alleen strafrechtelijk kunnen worden afgedaan (zie de Richtlijn voor strafvordering Drank- en Horecawet). Er wordt een proces-verbaal opgemaakt als een overtreding van één van deze artikelen wordt geconstateerd. Het Openbaar Ministerie bepaalt de hoogte van de boete. Een herstelsanctie, zoals een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom kan, anders dan de bestuurlijke boete wel n.a.v. van een overtreding van artikel 20, zesde lid en artikel 21 van de Drank- en Horecawet worden opgelegd.
Artikel 3