Wet- en regelgeving als zodanig verplicht het bestuursorgaan, in het bijzonder de burgemeester, niet dat het handhavend op moet treden tegen een overtreder die een wettelijk voorschrift overtreedt. De beginselplicht tot handhaven vloeit in algemene zin echter wel voort uit jurisprudentie en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State op 30 juni 2004 (ABRvS 2 augustus 2006, AB 2007, 27) als volgt geoordeeld:
“Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.”
Het bestuursorgaan heeft enerzijds de beginselplicht om handhavend op te treden. Anderzijds moet het onderzoeken of er zicht is op legalisatie dan wel sprake is van andere bijzondere omstandigheden, die aanleiding zijn om de handhaving op te schorten of ervan af te zien. Het bevoegde bestuursorgaan moet hierbij een belangenafweging maken. De beginselplicht en de belangenafweging kunnen in een bepaalde gevallen wijzen in een tegengestelde richting.
De verplichting tot handhaving is in het belang van de eventuele verzoeker en van de rechtszekerheid. Regels moeten worden nageleefd en overtredingen moeten worden beëindigd. Het onderzoek naar legalisatiemogelijkheden en de belangenafweging staan daar tegenover. Daarmee wordt nogal eens het belang van de overtreder en ook van een efficiënt functionerende overheid gediend. De gevolgen die handhavend optreden voor de overtreder heeft, spelen bij de belangenafweging ook een rol. Als de overtreding van geringe betekenis is en de (derde)belanghebbenden door de overtreding niet in hun belangen worden geschaad, kan dat een reden vormen om niet handhavend op te treden. Het feit dat een overtreding al een zekere tijd gedoogd is of dat door het bevoegde bestuursorgaan toezeggingen aan de overtreder zijn gedaan, mag handhavend optreden niet in de weg staan als een belanghebbende door de overtreding schade ondervindt of er sprake is van een serieuze overtreding.