5. 1. Gebieden A
Voor deze gronden geldt dat de waarden nog zeer goed herkenbaar zijn en veelal in een gave, oorspronkelijke staat zijn. Tot die waarden behoren tevens de aangrenzende en voor de waarden bepalende sloten rondom de percelen en gronden. Het principiële uitgangspunt voor deze gebieden is het behoud en waar mogelijk versterken van de aanwezige waarden. Doordat er in de loop van de tijd metterdaad een achteruitgang van waarden in het gebied heeft plaatsgevonden, is het van belang om binnen het proces van de herverkaveling, maar ook bij andere werkzaamheden, zorg te dragen voor het behoud van de aanwezige waarden.
Dat betekent dat de toepassing van de binnenplanse afwijking in de ‘gebieden A’ uitsluitend in een zeer uitzonderlijk geval zal worden toegepast. Dat betekent ook dat het planologisch regime hier niet op een andere wijze wordt ingericht dan nu het geval is.
Het belang van het behoud van de waarden staat hier dus voorop. Ook de strijd tegen de verzilting is geen reden om cultuurhistorische waarden aan te tasten. Op de gronden aangemerkt als ‘gebieden A’ is in die zin sprake van een onaantastbaarheid van de waarden daar waar het mogelijk menselijk ingrijpen betreft. De waarden en de gaafheid van de gebieden/percelen, zoals omschreven in de bijlage, dienen onaangetast te blijven.
Een afwijking is in deze gebieden alleen denkbaar als het om een zeer beperkte landbouwkundig noodzakelijke ingreep gaat, dan wel in situaties waarbij werkzaamheden nodig zijn die voortvloeien uit landschappelijke verbeterwerkzaamheden. Bij een zeer beperkte landbouwkundig noodzakelijke ingreep kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de aanleg van een dam om twee percelen met elkaar te verbinden, zoals hiervoor in hoofdstuk 2 is beschreven. Voorwaarde is dat de herkenbaarheid en de gaafheid van de gebieden niet wordt aangetast.
5. 2. Gebieden B
In de ‘gebieden B’ wordt de binnenplanse afwijking niet langer als een uitzonderingsregel gezien. De bedoeling is het instrument in te zetten om gewenste ingrepen in het landschap toe te kunnen laten, waarbij het cultuurhistorisch en landschappelijk belang niet langer bovengeschikt is, maar op zijn hoogst nevengeschikt aan de overige belangen. Die nevengeschiktheid betekent dat voor de waarden het vooral van belang is dat de herkenbaarheid van de kwelderwal, het karakteristieke patroon van waterlopen, dijken, verkavelingspatronen en historische waterlopen (zie bijlagen) niet wordt aangetast. Zolang die herkenbaarheid gewaarborgd is, kunnen andere belangen van groter belang worden geacht dan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Daarmee wordt in de ‘gebieden B’ een aanpassing gedaan vanuit de cultuurhistorische en landschappelijke waarden naar de gewenste ingrepen vanuit het gebiedsplan. Dat kan in gevallen betekenen dat de gemeente, afhankelijk van de omvang, de plaats en de impact van de ingreep, als compensatie daarvoor een bijdrage voor verbetering zal vragen in de ‘gebieden A’ en/of de ‘gebieden B’. In het gebiedsplan worden ook bijdragen voor verbetering benoemd, zoals de aanleg van natuurvriendelijke oevers voor zover de situatie zich daarvoor leent en/of de aanwezige waarden met een natuurvriendelijke oever niet worden aangetast. Een en ander leidt ten aanzien van de beide in hoofdstuk 2 genoemde werkzaamheden tot het volgende toepassingsbereik van de binnenplanse afwijking. De in de bijlagen opgenomen toelichting met bijbehorende kaarten fungeert hierbij als toetsings en informatiekader.
5.2.1.Het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden
Bij de uitvoering van deze werkzaamheden is het van belang, zoals hiervoor gezegd, dat in alle gevallen de herkenbaarheid van de kwelderwal en daarmee het grootschalige relief behouden dient te blijven. Wel kan microreliëf verdwijnen. Dat zal vrijwel altijd gepaard gaan met het opschalen van kavels en daarmee het dempen van sloten. In gevallen waarbij het grootschalig reliëf behouden blijft, zal aan de afwijking voor één van de genoemde werkzaamheden of een combinatie daarvan toepassing worden gegeven. Een compenserende maatregel die hieraan verbonden kan worden, is bijvoorbeeld het herstellen van een kruinig perceel in de ‘gebieden A’ of de ‘gebieden B’.
5.2.2.Het dempen en/of graven van sloten en/of andere waterlopen en/of partijen
De mogelijkheid om te dempen en/of te graven is niet zonder meer overal toegelaten. In de ‘gebieden B’ komen waardevolle waterlopen voor die niet verloren mogen gaan. Tot de waardevolle waterlopen behoren de historische waterlopen en sloten rondom percelen en ensembles die onderdeel uitmaken van de waarde van de ‘gebieden A’, zoals die op de kaart in de bijlagen zijn aangegeven (kaart 3. Structuurkaart historische waterlopen en dijken). Verder zijn er voorwaarden voor het dempen en/of graven van waterlopen als het gaat om waterlopen die structuurbepalend zijn. Dit is het (opstrekkende) structuurbepalend slotenpatroon, zoals eveneens aangegeven op een kaart in de bijlagen.
Er ligt aan het vergunningenstelsel een driedeling ten grondslag bij demping. Die ziet er als volgt uit:
Het is niet toegestaan om historische waterlopen en sloten rondom percelen en ensembles die onderdeel uitmaken van de waarde van de ‘gebieden A’ te dempen. De waarden van deze waterlopen zijn zodanig groot dat behoud hiervan voorop staat.
Met een afwijking kan wel worden toegestaan dat dwarsslootjes of sloten, die geen deel of wezenlijk deel (na het verdwijnen geen afbreuk doen aan de waarde van het slotenpatroon) uitmaken van het (opstrekkende) structuurbepalende slotenpatroon, worden gedempt.
Met een afwijking kan worden toegestaan dat sloten die deel uitmaken van het structuurbepalende slotenpatroon worden gedempt, mits aan compenserende voorwaarden wordt voldaan. De afwijking zal in dat geval alleen worden toegepast als:
de sloot elders binnen het gebied met dubbelbestemming (gebieden A of gebieden B) wordt gecompenseerd waardoor de structuur van het slotenpatroon niet wordt aangetast, of
er een versterking van de waarden in de ‘gebieden A’ of de ‘gebieden B’ wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld het herstel van een sloot rond een terp of herstel binnen een patroon van sloten.
Dergelijke compensaties moeten wel telkens in verhouding staan tot de ingreep die wordt gepleegd.
Voor het graven van sloten geldt dat er in beginsel wordt meegewerkt aan de afwijking, tenzij dit een negatieve invloed heeft op het structuurbepalende slotenpatroon. In dat geval zal telkens worden beoordeeld in hoeverre de herkenbaarheid van het structuurbepalende slotenpatroon niet wordt aangetast. Een bijkomende voorwaarde die aan deze verruimde toepassing van de afwijking in de ‘gebieden B’ wordt verbonden, is dat nieuwe waterlopen altijd natuurvriendelijk moeten worden aangelegd voor zover de situatie zich daarvoor leent en/of de aanwezige waarden met een natuurvriendelijke oever niet worden aangetast.
Artikel 5.