Naar hoofdinhoud
Deze beleidsregel wordt vanaf het moment van vaststelling toegepast bij uitvoering van de binnenplanse afwijking. Dat betekent dat in de ‘gebieden A’ de toepassing van het geldende regime vrijwel ongewijzigd blijft. Daar kan alleen in uitzonderlijke situaties met minieme gevolgen toepassing worden gegeven aan de binnenplanse afwijking. In de gebieden ‘B’ zal de binnenplanse afwijking niet langer als een uitzondering worden toegepast, maar als een instrument dat vanuit de gewenste verkaveling en rekening houdend met de overige belangen ruimte geeft voor ingrepen in het landschap. Als voorwaarde daarbij geldt wel altijd de herkenbaarheid van de kwelderwal. In sommige gevallen, daar waar het historische waterlopen en sloten rondom percelen en ensembles die onderdeel uitmaken van de waarde van de ‘gebieden A’ betreft, wordt niet meegewerkt aan de afwijking. In andere situaties zal, daar waar de ingreep negatieve invloed heeft op de herkenbaarheid van het structuurbepalende slotenpatroon, de kwelderwal, dijken en verkavelingspatronen, de afwijking alleen worden toegelaten als die gepaard gaat met een aanvaardbare compensatie dan wel een versterking van waarden in de ‘gebieden A’ en de ‘gebieden B’. Dwarsslootjes of sloten, die geen deel of wezenlijk deel uitmaken van het (opstrekkende) structuurbepalende slotenpatroon, mogen zonder voorwaarden worden gedempt. Deze beleidsregel strekt zich in de tijd langer uit dan de tijd die de uitvoering van het gebiedsplan in beslag neemt. Ook na afronding van de werkzaamheden die voortvloeien uit het gebiedsplan, is deze beleidsregel van toepassing op de gronden die zijn voorzien van de dubbelbestemming en functioneert deze beleidsregel bij de toepassing van de daarin opgenomen afwijkingsbevoegdheid.

Rechtspraak bij dit artikel