3.3.1Algemeen
In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van vergunning plichtige bouwwerken. Ten aanzien van de technische voorschriften is een formeel kader aanwezig in de vorm van het Bouwbesluit. Het is onmogelijk om 100% aan al deze kaders te toetsen. Vanuit de gedachte van de aannemelijkheidstoets is dit ook niet noodzakelijk. De toetsingskaders voor aanvragen voor het (ver)bouwen van een bouwwerk liggen vooraf vast. Hierbij is gekozen voor een representatieve toets, zoals aangegeven in tabel 3.2.2.
Dit geldt in niet voor de toets aan het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand (welstandsnota). Hierbij vindt altijd een 100% toets plaats, tenzij beleid anders aangeeft.
Centrale vragen zijn:
Welke bouwwerken worden met welke diepgang technisch beoordeeld?
Hoe wordt omgegaan met de toets van het constructieve hoofdprincipe bij de aanvraag om vergunning?
Hoe worden deelgoedkeuringen beoordeeld?
Hoe wordt omgegaan met de toets van omgevingsveiligheid?
3.3.2Technische beoordeling
Strategie
De strategie, zoals die hier ontwikkeld is, sluit aan bij de landelijke strategie (project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunningen CKB), doch is op diverse vlakken vereenvoudigd en sluit aan op de visie van dit uitvoeringskader. Het regionaal uitvoeringskader maakt dan ook gebruik van onderdelen van de ontwikkelde methodiek, en wel als volgt:
In het regionaal uitvoeringskader wordt ook gewerkt met een bouwwerktypologie net zoals bij het CKB. Het CKB kent echter 32 categorieën, terwijl het regionale uitvoeringskader gaat van 15 categorieën + monumenten.
Het regionaal uitvoeringskader voegt een risicoanalyse toe aan de methodiek van het CKB om afgewogen keuzen te kunnen maken.
Het regionaal uitvoeringskader neemt ook de factor locatie als een invalshoek voor het beleid. Deze ontbreekt in het CKB.
Bouwwerktypologie
De diepgang van toetsing is afhankelijk gesteld van het type bouwwerk. Uitgangspunt van het toets- en werkniveau is het representatieve niveau, tenzij vanwege bijvoorbeeld naleefgedrag, zorgvuldigheid bij ingediende stukken of anderszins opschaling nodig is. De omvang van de activiteiten (zoals bij kleine verbouwingen en dakkapellen) kan een reden zijn van het afschalen van werkniveau.
Thema’s wet- en regelgeving
De intensiteit van toetsing is niet afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk (thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. Wel worden de kernbepalingen zoals verwoord in 2.2 uitdrukkelijk meegenomen in de toets.
Aanvullende regels
Aan het toets- en werkniveau kunnen aanvullende regels worden gekoppeld. In het algemeen betreft het dan regels ten aanzien van:
Indieningvereisten: In de Regeling omgevingsrecht (Mor) wordt aangegeven welke bescheiden aanwezig moeten zijn op het moment van indiening van een aanvraag. De Mor biedt de ruimte voor het bevoegd gezag om bescheiden die niet nodig zijn voor de beoordeling van een aanvraag ook niet te vragen. Daarom wordt in relatie tot de aanwezige risico’s bepaald welke bescheiden wel en niet vereist zijn om te overleggen. Dit speelt vooral bij de activiteit (ver)bouwen.
Nadere voorwaarden in de vergunning. Op basis van het werkniveau wordt geformuleerd dat uitwerking van de thema’s correct op de vergunningstekening moet plaatsvinden en dat voorwaarden niet mogelijk zijn. Indien de aanvrager onvoldoende aannemelijk maakt dat wordt voldaan aan wet- en regelgeving, wordt bij toets- en werkniveau 3 gevraagd om tekeningen en berekeningen, voordat vergunningverlening plaatsvindt aan te passen. Hiervoor zal voor zover noodzakelijk het instrument van verdaging / verlenging van het besluit worden ingezet.
Overdracht naar toezicht. Op basis van het werkniveau worden procedures opgesteld voor de overdracht van het dossier aan de toezichthouder.
3.3.3Beoordeling constructieve veiligheid
De tweede vraag betreft de beoordeling van het constructief hoofdprincipe van een aanvraag voor het (ver)bouwen van een bouwwerk. Constructieve veiligheid is naast brandveiligheid het belangrijkste thema. Dit blijkt uit de kernbepalingen.
In het Bor wordt aangegeven dat vooraf inzicht moet worden gegeven in het hoofdprincipe van de constructie. Detailtekeningen en berekeningen mogen na afgifte van de vergunning worden ingediend. Het Bor biedt interpretatieruimte, die gezien het belang van het thema, niet wenselijk is. Vandaar dat ook op dit terrein een lokaal toetsingskader wordt geformuleerd.
Strategie
Als uitgangspunt is geformuleerd dat, afhankelijk van het bouwwerk, vooraf gegevens moeten worden ingediend die aannemelijk maken, dat wordt voldaan aan de eisen van constructieve veiligheid. De gegevens moeten worden beoordeeld door een ter zake deskundig iemand, waarbij de diepgang van beoordeling vooraf is afgesproken.
Beleid
Het beleid is terug te vinden in de onderstaande tabel. De bouwwerkcategorieën uit de vorige paragraaf zijn teruggebracht tot een viertal categorieën. Hierin is aangegeven op welk niveau de gegevens inhoudelijk worden beoordeeld. Deze tabel is een uitwerking van de toets matrix omgevingsvergunning activiteit (ver)bouw en gebaseerd op het landelijke constructieprotocol.
I
II
Naam
Groot / risicovol
Minder groot / risicovol
Ontvankelijkheid
Tekeningen en berekeningen:
Grondrapport / funderingsadvies;
Constructieve bestektekeningen;
Stabiliteitsberekening;
Gewichtsberekening;
Funderingsplan.
Tekeningen en berekeningen:
Grondrapport / funderingsadvies;
Constructieve bestektekeningen;
Stabiliteitsberekening;
Gewichtsberekening;
Funderingsplan.
Inhoudelijke toets door
Constructeur
Constructeur
Toets niveau
3
3
Voorwaarden vergunning
Specifiek op aangeven constructeur
Specifiek op aangeven constructeur
Toets niveau omgevings-veiligheid
3
3
Tabel 01: Toets matrix constructieve veiligheid per categorie bouwwerk
III
IV
Naam
Overig bouwwerk
Klein bouwwerk
Ontvankelijkheid
Inzichtelijke bouwkundige tekeningen;
Funderingsplan;
Kapplan;
Constructieberekening met helder aangegeven uitgangspunten.
Geen
Inhoudelijke toets door
Plantoetser en bij vragen constructeur
N.v.t.
Toets niveau
3
N.v.t.
Voorwaarden vergunning
Alleen indien opmerkingen
N.v.t.
Toets niveau omgevings-veiligheid
3
N.v.t.
Tabel 01: Toets matrix constructieve veiligheid per categorie bouwwerk
3.3.4Beoordeling deelgoedkeuringen voorwaarden vergunning
De derde vraag betreft de controle van deelgoedkeuringen ten aanzien van constructieonderdelen en installaties. Een vergunning kan onder voorwaarden / beperkingen worden verleend. Veel voorkomende voorwaarden / beperkingen hebben betrekking op het op een later tijdstip indienen van tekeningen en berekeningen. Het betreft dan vooral constructieve tekeningen en berekeningen en installatietechnische tekeningen en berekeningen. In het Bor is het op een later tijdstip indienen van dergelijke zaken wettelijk geregeld. Bij één vergunning kan sprake zijn van meerdere deelgoedkeuringen.
Strategie
Het feit dat aanvullende voorwaarden worden geformuleerd bij de vergunning geeft aan dat het niet reëel was om ten tijde van de vergunningsaanvraag een beoordeling te doen. Aangezien sprake is van voorwaarden zijn de beoordelingen vanuit het oogpunt van de gemeente wel noodzakelijk.
Handhaving van deze voorwaarden wordt van groot belang geacht omdat het vaak belangrijke onderdelen ten aanzien van veiligheid (constructie en brand) betreft.
Beleid
Ten behoeve van de vergunning is sprake van een aantal (standaard) voorwaarden. De van toepassing zijnde voorwaarden worden steeds per vergunning uit deze lijst geselecteerd. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het tijdig aanleveren van de bescheiden (drie weken voor aanvang van het desbetreffende onderdeel). De toezichthouder bewaakt dit en gaat na of onderdelen niet worden gerealiseerd alvorens de bescheiden zijn beoordeeld en geaccordeerd. Wanneer bij aanvang van werkzaamheden de bescheiden niet tijdig zijn ingediend vindt in principe stillegging van de werkzaamheden plaats. In andere situaties vindt een nadere afweging plaats of tot stillegging moet worden overgegaan. Iedere set tekeningen / berekeningen die wordt ingediend wordt beoordeeld. De constructieve tekeningen en berekeningen worden gecontroleerd op het werkniveau zoals aangegeven bij beoordeling constructieve aspecten. De installatie technische tekeningen en berekeningen worden eveneens beoordeeld.
3.3.5Beoordeling omgevingsveiligheid
De factor locatie (ligging bouwplaats) is voor deze beoordeling van belang. De factor zal vooral worden gebruikt bij het toezicht van bouw- en sloopwerkzaamheden. Dit gebeurt in verband met risico’s en aansprakelijkheid. Tegen deze achtergrond worden de begrippen aandachts- en risicolocatie geïntroduceerd. Onder deze locaties worden verstaan locaties die door de aard van de werkzaamheden respectievelijk de aard van de omgeving een meer dan gemiddeld risico met zich meebrengen en tegen die achtergrond nadrukkelijker aandacht vragen voor omgevingsveiligheid. Met andere woorden, het betreft locaties waar een verhoogde kans op gevaar aanwezig is voor passanten, omwonenden en belendende percelen. (Ver)bouwen in het centrum vraagt vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid bijvoorbeeld een andere aandacht dan bouwen in het buitengebied.
Of sprake is van een aandachts- of risicovolle locatie wordt door verschillende criteria bepaald. Het eerste criterium heeft te maken met de aard van de belendende bouwwerken. Afhankelijk van het type bouwwerk en dan vooral de wijze van fundering (op staal, op houten / betonnen / stalen buispalen e.d.), het materiaal waarin ze zijn opgetrokken (beton, staal, steen, hout e.d.), de ouderdom en staat van onderhoud is er een bepaalde gevoeligheid voor trillingen, veranderingen in grondwaterniveau, ontgravingen en slopen. Deze gevoeligheid in combinatie met de aard van het te realiseren bouwwerk en de wijze van bouwen bepalen de mate van risico. Een tweede criterium heeft te maken met de veiligheid op en om de bouwplaats. Een derde en laatste criterium heeft betrekking op de hinder en overlast voor omwonenden, gebruikers van omliggende panden en passanten. Het betreft dan zaken als geluidhinder, trillinghinder, verkeershinder en stankhinder.
In de fase van vergunningverlening vindt door de gemeente een locatieanalyse plaats om de risico’s ten aanzien van omgevingsveiligheid in te schatten. In tabel 02 is aangeven welke onderwerpen in de locatieanalyse betrokken worden. Tabel 03 geeft aan hoe vanuit de locatie-analyse gekomen wordt tot een risico-inschatting en wat dit betekent voor het opnemen van voorschriften in de vergunning.
Locatieanalyse omgevingsveiligheid
1. Hinder en overlast omwonenden
Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang leiden tot hinder en overlast voor de direct omwonenden of gebruikers voor direct omliggende panden:
Geluidshinder;
Trillinghinder;
Verkeershinder;
Stankoverlast;
Stofoverlast.
2. Wegbeheer en openbaar vervoer
Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang en in verband met onder meer opslag materialen, ligging van het bouwperceel, gebruik van materieel (kranen, steigers e.d.), inrichting van de bouwplaats leiden tot maatregelen in en langs de weg door de wegbeheerder?
Vermindering aantal bestaande parkeerplaatsen;
Belemmering doorstroom voetgangers;
Belemmering doorstroom overig verkeer;
Belemmering doorstroom openbaar vervoer;
Verminderde bereikbaarheid en gebruik naastliggende bouwwerken.
3. Schade belendingen door aard van bouw- en sloopwerkzaamheden
Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang leiden tot schade aan belendingen, bouwwerken en leidingen?
Ontgravingen;
Grondwaterstandverlaging;
Bouwrijp maken;
Inbrengen damwanden, palen, e.d.;
Vermindering stabiliteit naastliggende bouwwerken.
Locatieanalyse omgevingsveiligheid
4. Veiligheid directe omgeving
Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang en in verband met onder meer opslag materialen, ligging van het bouwperceel, gebruik van materieel (kranen, steigers e.d.), inrichting van de bouwplaats leiden tot gevaar, hinder en overlast voor de direct omgeving:
Hijsveiligheidszones;
Laad- en loszones;
Vallend materiaal of materieel.
Tabel 02: Locatieanalyse omgevingsveiligheid
Conclusie locatieanalyse voor bouw- en sloopwerkzaamheden
1. Hinder en overlast omwonenden
Wanneer op alle onderdelen met nee is geantwoord is er sprake van een niet risicovolle locatie.
Niet risicovolle locatie:
Standaardvoorwaarden opnemen in de vergunning.
2. Wegbeheer en openbaar vervoer
Wanneer alleen sprake is van hinder / overlast en verminderde bereikbaarheid / belemmering doorstroming zoals onder 1 en 2 weergegeven dan is sprake van een aandacht locatie
Aandacht locatie:
Specifieke voorwaarden opnemen in de vergunning.
3. Schade belendingen door aard van bouw- en sloopwerkzaamheden
In alle andere gevallen is sprake van een risicovolle locatie en wordt er gewerkt met een bouw- en sloopveiligheidsplan in twee fasen: uitgangspunten bij ontvankelijkheid en uitwerking na vergunning.
Risicovolle locatie:
Uitgangspunten bouw- en sloopveiligheidsplan opvragen bij ontvankelijkheid en verdere uitwerking bouw- en sloopveiligheidsplan als voorwaarde in vergunning opnemen.
Tabel 03: Conclusie analyse omgevingsveiligheid
Hoofdstuk 3
Artikel 3.3