Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4: › Paragraaf 2.

Artikel 15.

Spreekrecht burgers

Onderdeel van REGLEMENT VAN ORDE VOOR DE VERGADERINGEN EN ANDERE WERKZAAMHEDEN VAN DE RAADSCOMMISSIES 2021

1.. Burgers hebben spreekrecht. Zij kunnen het woord voeren over onderwerpen die op de agenda van een commissievergadering staan. 2.. Het woord kan niet gevoerd worden over: benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend. 3.. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit 24 uur voor aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres, e-mailadres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wil voeren. 4.. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 5.. Het onderwerp waarbij wordt ingesproken wordt gelijk achter de inspreker(s) behandeld. 6.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de commissievergadering toestaan aan insprekers korte, verhelderende vragen te stellen. 7.. De voorzitter of een lid van de commissie doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de burger. 8.. Na de eerste termijn heeft een inspreker het recht om een korte reactie te geven op de inbreng van fracties en college in eerste termijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel