Naar hoofdinhoud
Na afronding van het onderzoek wordt er al dan niet een individuele voorziening toegekend. Als bewijs van het al dan niet toekennen van een individuele voorziening door de gemeente, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een beschikking afgeven. Bij toekenning door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts wordt alleen op verzoek van de jeugdige en/of zijn ouders een beschikking afgegeven (zie art. 6.4 van de verordening). De jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige en/of zijn ouder(s) goed en volledig informeert. In de beschikking voor het verstrekken van een individuele voorziening wordt daarom het volgende vastgelegd: de individuele voorziening die wordt verstrekt; het beoogde resultaat daarvan; de ingangsdatum en duur van de verstrekking; de directe tijd die met de voorziening gepaard gaat; een zo concreet als nodige beschrijving van de toegekende zorg; of de voorziening in natura of in pgb wordt verstrekt, en indien van toepassing; welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn en welk resultaat daarmee wordt beoogd. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking naast de bovengenoemde zaken bovendien: hoe de bekwaamheid van de aanvrager is getoetst en dat pgb passend wordt geacht; de hoogte van het pgb; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb (zie §6.4); hoe de feitelijke betaling ten laste van het te verstrekken pgb plaatsvindt; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Het ondersteuningsplan kan onderdeel uitmaken van de beschikking (zie art. 6.1 van de verordening). Hierdoor kunnen de bovenstaande punten ook in het ondersteuningsplan opgenomen staan. Het ingevulde afspraken- of resultatenoverzicht door de zorgaanbieder, waarin onder andere is vastgelegd aan welke doelen gewerkt gaat worden, kan ook onderdeel zijn van de beschikking. De beschikking dient volgens artikel 4:13 van de Awb te worden afgegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (zie art. 4:14, derde lid, van de Awb). Dit termijn is een maximumtermijn. Indien nodig kan na een hulpvraag binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt. In complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden. Bij een besluit tot toekenning van een individuele voorziening wordt de beschikking afgegeven met een vastgestelde geldigheidsduur. De geldigheidsduur is tot het moment waarop de consulent de indicatie heeft afgegeven of de betrokken jeugdhulpaanbieder de jeugdhulp heeft beëindigd en het college hiervan op de hoogte heeft gesteld. Bezwaar en beroep In de beschikking wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb (zie art. 6.4) en geldt in beginsel voor alle beschikkingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel