Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving zijn er veel voorzieningen die dit mogelijk maken. In dit hoofdstuk wordt een toelichting op verschillende soorten woonvoorzieningen en een aantal begrippen die bij de beoordeling van de noodzaak van een voorziening en in de jurisprudentie over dit onderwerp een rol spelen.
Het college onderscheidt de volgende woonvoorzieningen:
Woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard, dit zijn voorzieningen die verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een toiletstoel of een douchestoel);
Woningaanpassingen, dit zijn voorzieningen die vast zitten aan de woning (bijvoorbeeld een douchezitje aan de muur of het ophogen van de tegels bij de voordeur);
Onkostenvergoeding voor het verhuizen;
Voorziening voor tijdelijke huisvesting;
Voorziening voor huurderving;
Voorziening voor een sanering van de woning in verband met CARA, COPD en/of een allergie;
Medische urgentie om te verhuizen.
Voor kortdurend gebruik (maximaal 6 maanden) zijn losse woonvoorzieningen te leen via het uitleendepot van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelen-leveranciers. Deze kosten worden niet vergoed door de Wmo 2015, vaak worden ze wel vergoed via de zorgverzekering.
Woonvoorzieningen zijn alleen bedoeld voor ondervonden problemen die in direct verband staan met de bouwkundige of woontechnische aspecten van de woning zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast of het te groot zijn van de woning zijn dus niet van belang en kunnen niet leiden tot een woonvoorziening.