Naar hoofdinhoud
Voor het in beeld brengen van de jeugdgroepen en de eventuele aanpak wordt gebruik gemaakt van het 7-stappenmodel. Het CCV heeft met partners een “Werkproces integrale aanpak problematische jeugdgroepen en groepsgedrag” opgesteld. De 7 stappen die hieronder beschreven worden, komen uit dit document. Deze stappen worden hieronder schematisch weergegeven. Figuur 1: schematische weergave 7 stappen. Bron: het CCV, werkproces integrale aanpak problematische jeugdgroepen en groepsgedrag De praktijk is dynamisch. Stappen kunnen (deels) tegelijkertijd worden uitgevoerd en herhaald. Zo kan het voorkomen dat tijdens de aanpak van de jeugdgroep (stap 6) informatie wordt ontvangen (stap 2), waardoor het plan van aanpak (stap 5) aangepast moet worden. Ook kan na stap 2 besloten worden om niet over te gaan tot een integrale aanpak, maar een monodisciplinaire actie over te gaan of af te zien van te een aanpak als de urgentie onvoldoende aanwezig is. De reden waarom er niet alleen gekeken wordt naar een aanpak op groepsniveau is dat op deze wijze de problematiek van de groep op verschillende manieren wordt onderzocht, waardoor een duurzame aanpak mogelijk is. Stap 1 Signalen over groepsgedrag delen Het doel van stap 1 is het verzamelen van signalen over (problematisch) groepsgedrag en indien nodig besluiten tot het verzamelen en verbinden van informatie in stap 2. Diverse ketenpartners hebben de verantwoordelijkheid om signalen die zij hebben over mogelijk probleemgedrag van groepen jongeren te delen met de gemeente, zowel proactief als op verzoek van de gemeente. Deze signalen worden in het operationeel jeugdoverleg gedeeld. Ook meldingen van overlast kunnen in dit overleg besproken worden. Belangrijk is dat de signalen op groepsniveau zijn. Het is in dit stadium nog niet mogelijk individuele leden van de groep in kaart te brengen en te beschrijven. In het jeugdoverleg wordt gezamenlijk antwoord gegeven op de vraag: “Is het problematisch groepsgedrag door een partner afzonderlijk op te lossen of vraagt de problematiek om een integrale aanpak?” Deze vraag kan beantwoord aan de hand van de “Handreiking duiding problematische jeugdgroepen” van Bureau Beke. Niet alle vragen uit deze handreiking kunnen meteen beantwoord worden, maar dat is voor stap 1 niet nodig. Met name de antwoorden op de vragen over de groep en de invloed op de omgeving kunnen al voldoende zijn om te bepalen of en in hoeverre er sprake is van problematische groepsgedrag en of men verder moet naar stap 2 of dat een andere interventie nodig is. Soms is de problematiek op te lossen door een handeling van één van de partners, in dit geval kan er gelijk overgegaan naar stap 7: evalueren en afronden. Als dit niet het geval is en er behoefte is aan een integrale aanpak, dan wordt besloten tot het overgaan naar stap 2. Stap 2 Informatie verzamelen en verbinden Het doel van stap 2 is er voor zorgen dat de juiste informatie op tafel komt om te kunnen bepalen of er sprake is van een problematische jeugdgroep of problematisch groepsgedrag. Als dit het geval is wordt de informatiepositie verbreed tot een integrale informatiepositie, zodat de betrokken ketenpartners uitgenodigd kunnen worden voor het maken van een integraal beeld in stap 3. De procesregisseur is hierin de trekker. De procesregisseur maakt met politie, jongerenwerk en jeugd-BOA een namenlijst van de groepsleden. De namenlijst bevat alleen NAW-gegevens van groepsleden die in ieder geval al één keer zijn aangesproken door politie, jongerenwerk of (jeugd-)Boa op zijn/haar gedrag. Omdat er persoonsgegevens worden verwerkt, is het noodzakelijk dat de procesregisseur de jongere en zijn/haar ouders/verzorgers hierover informeert. De basis voor het verzamelen van de juiste informatie is de “Handreiking duiding problematische jeugdgroepen” van Bureau Beke. Informatie kan worden opgehaald bij de politie door te verzoeken om een groepsscan te maken. De groepsscan is een standaardrapportage met informatie op (A)groeps-, (B)persoons- en (C)domeinniveau. Er wordt bij het Openbaar Ministerie om strafrechtelijke informatie worden gevraagd, mits het een groep betreft waar criminele aspecten een grote rol spelen. Bij twijfel stemt de procesregisseur eerst af met het Openbaar Ministerie. Het jongerenwerk kan gevraagd worden om meer informatie. Daarnaast kan er bij interne gemeentelijke teams, zoals toezicht en handhaving, leerplicht en het Sociaal Team, om advies en informatie gevraagd worden. Belangrijk aandachtspunt is de privacywetgeving. In eerste instantie mogen partijen alleen de ‘dat-informatie’ uitwisselen. Dit betekent dat ze mogen vertellen dat een individu bekend is. De ‘wat-informatie’, dus inhoudelijke informatie, mag alleen gegeven worden als daar een wettelijke grondslag3 Zie hiervoor de Aanvulling Privacyreglement Lokale Persoonsgerichte aanpak Midden-Nederland in verband met de integrale aanpak van problematisch groepsgedrag. voor is. Tot slot is het een gegeven dat veel jongeren op sociale media actief zijn. Hier kan ook informatie te vinden zijn dat van belang is voor het verkrijgen van een totaalbeeld. Er zal met elkaar worden bepaald of deze online-informatie nodig, wie toegang heeft tot deze informatie en wie dit gaat verzamelen. Met alle informatie die voorhanden is, wordt met de handreiking van Bureau Beke opnieuw het gedrag van de jeugdgroep geduid. Stap 3 Maken van integraal beeld en concept- Plan van Aanpak Het doel van stap 3 is het opstellen van een integraal beeld over de problematische jeugdgroep en het maken van een concept van het plan van aanpak op de groep. In het operationele jeugd-overleg wordt de verzamelde informatie besproken en de zwaarte van de groep bepaald. In hoofdstuk 4 wordt dit verder uitgewerkt. Dit is ook het startmoment voor het maken van een concept- Plan van Aanpak. Per groep wordt ook gekeken of individuen in aanmerking komen voor een individuele persoonsgerichte aanpak: de lokale PGA of de top X aanpak. Voor het opstarten van zorg en ondersteuning is motivatie en toestemming nodig van de betrokkene. Hiervoor vindt een gesprek plaats met betrokkene, ouders/verzorgers, wijkagent Jeugd en procesregisseur gemeente. Het aanmelden voor de lokale PGA wordt gedaan door de politie, BOA of jongerenwerker. Daarnaast wordt ook met elkaar besproken welke jongeren er uitgenodigd worden voor een gesprek met de procesregisseur en de wijkagent. Voor het maken van een plan van aanpak wordt gebruik gemaakt van een format. Zie bijlage 4.. Het wordt een integraal plan van aanpak, waarbij de uit te voeren aanpak concreet is en duidelijk gekoppeld aan SMART4 Specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden geformuleerde doelen. De doelen worden meerzijdig bepaald, dus niet enkel het terugdringen van het aantal overlastmeldingen. Bij de aanpak wordt ook duidelijk omschreven wie verantwoordelijk is voor welke actie. Stap 4 Adviseren en prioriteren en Stap 5 Maken Plan van Aanpak Stap 4 en 5 lopen dusdanig over in elkaar dat ze samen worden behandeld. De doelen van deze stappen zijn indien nodig prioriteiten stellen in de te nemen acties en het plan van aanpak ter vaststelling voorleggen aan het college van B&W (zodat het college beslist of en zo ja welke middelen, zoals capaciteit en geld, vanuit de organisatie worden gebruikt) en de driehoekpartners. Indien nodig wordt het plan van aanpak aangepast en opnieuw voorgelegd ter vaststelling. Er wordt ook afgesproken wanneer welke actie wordt uitgevoerd, voor zover dit nog niet concreet in het plan van aanpak stond. Stap 6 Uitvoeren en monitoren van Plan van Aanpak Het doel van stap 6 is zorgen dat alle betrokken partners conform plan hun bijdrage leveren aan de aanpak van de jeugdgroep en het volgen van de uitvoering, als input voor sturing en eventuele bijstelling van de probleemdefinitie en/of het plan van aanpak. De procesregisseur monitort: In hoeverre de geplande acties ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Wat de effecten/resultaten van deze acties zijn, mede gezien de (wellicht veranderende) omstandigheden. De jongere die is doorgezet naar de L-PGA of Zorg- en Veiligheidshuis.. Dit zal beperkt worden tot monitoren of de jongere nog in dit traject zit en indien nodig afstemmen of bepaalde interventies naast elkaar uitgevoerd kunnen worden. De monitoring levert – naast sturingsgegevens voor de aanpak van de betreffende jeugdgroep – ook input voor de beleidsmonitoring. Waar nodig wordt op basis van inzichten vanuit de uitvoering de probleemdefinitie en/of het plan van aanpak bijgesteld. Stap 7 Afronden en evalueren Het doel van stap 7 is het bepalen of de aanpak van de jeugdgroep afgeschaald en gestopt kan worden. Als dit het geval is dan vindt er een evaluatie plaats en wordt bepaald waar nodig resterende actiepunten en begeleiding worden belegd. Hieronder kan bijvoorbeeld een brief aan de betreffende jongere in een situatie dat het weer de goede kant op gaat, zoals bij de PGA-aanpak reeds gebeurt.

Rechtspraak bij dit artikel