In het bestemmingsplan “Parapluherziening parkeren” staat het streven om initiatiefnemers 'parkeren op eigen terrein' te laten realiseren (inclusief bezoekersplaatsen). Dit is en blijft het hoofduitgangspunt. Iedere ontwikkeling moet in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Een toename van de verkeersaantrekkende werking mag niet zomaar worden afgewenteld op de bestaande omgeving.
In specifieke gevallen kan een uitzondering gemaakt worden. In het bestemmingsplan zijn hiervoor de voorwaarden opgenomen, we noemen dat een binnenplanse afwijking. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden of er kan op een andere wijze in de nodige parkeerruimte worden voorzien.
Voorbeelden van bijzondere omstandigheden zijn:
1. Realiseren op eigen terrein is niet mogelijk.
De initiatiefnemer kan gemotiveerd aantonen dat het niet mogelijk is om de vereiste parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren (bijv. een meerlaagse parkeergarage onder een te klein complex).
2. Realiseren op eigen terrein is niet wenselijk.
Door de ligging of situering van de bouwlocatie is het niet wenselijk om de parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Een voorbeeld hiervan is een locatie binnen een autovrije of autoluwe zone. Parkeren op eigen terrein heeft tot gevolg dat er meer voertuigbewegingen in het desbetreffende gebied komen, wat op zo ́n locatie niet wenselijk is.
De tekst van het bestemmingsplan is in bijlage 1 opgenomen. Dat is de tekst zoals die geldt in december 2020. Mocht het bestemmingplan worden gewijzigd, dan geldt de gewijzigde tekst.
Beroep op openbare ruimte
Vaak wordt een beroep gedaan op de openbare ruimte om op een andere wijze in parkeren te voorzien. Dit wordt veelal gebaseerd op de financiële haalbaarheid van de ontwikkeling. Aanwezige parkeerplaatsen in openbaar gebied mogen bij de beoordeling ook in ogenschouw worden genomen. Hierbij moet aangetoond worden dat de aanwezige parkeergelegenheid voldoende is om de parkeervraag die het bouwplan meebrengt op te kunnen vangen. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een parkeeronderzoek/parkeertelling waaruit volgt dat de (gemiddelde) beschikbaarheid van de aanwezige parkeerplaatsen toereikend is.
Hierbij mag echter het woon- en leefklimaat in de directe omgeving en de parkeersituatie in de openbare ruimte niet onevenredig worden aangetast.
Bij de beoordeling van de onevenredige aantasting van de parkeersituatie in de openbare ruimte zal ook de cumulatie van omliggende (bouw)projecten een rol spelen. De beschikbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte kunnen niet zomaar voor meerdere projecten worden uitgegeven. In principe kan worden gesaldeerd tussen de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen. Salderen kan echter alleen een rol spelen bij de beoordeling als de ontwikkelingen binnen een afzienbare tijd (als vuistregel binnen een half jaar) van elkaar worden ontwikkeld en voldoende rechtszeker zijn.
Daarnaast spelt het soort gebruik van een parkeerplaats (als bezoeker of als bewoner) ook een rol in de beoordeling. Inzicht in soort gebruik, verdeling over aanwezigheidspercentages en dagdelen is vereist, zie ook paragraaf 1.3.