Een inwoner kan een voorziening nodig hebben door toedoen van een derde (bijvoorbeeld een verkeersongeval). Als de inwoner een beroep doet op de Wmo dan is de vraag of de gemeente deze kosten kan verhalen op de partij die de schade heeft veroorzaakt.
Onder de Wmo 2007 werd geoordeeld dat de inwoner die letsel heeft dat is veroorzaakt door een derde, zelf mag kiezen of hij de verzekering aanspreekt of een beroep doet op de Wmo-voorzieningen. Een verzekeringsclaim is niet wettelijke voorliggend op de Wmo. Naar verwachting geldt het keuzerecht ook onder de Wmo 2015 omdat de Wmo 2015 het begrip voorliggende wettelijke voorziening niet kent.
Als een inwoner zich meldt, moet de gemeente onderzoek doen. Als hieruit blijkt dat de inwoner voor de kosten van voorzieningen daadwerkelijk en binnen een aanvaardbare termijn, een beroep kan doen op de verzekeraar (of er zelfs een bedrag is uitgekeerd voor betreffende voorziening) dan is er geen noodzaak meer voor ondersteuning.
Als ‘daadwerkelijk’ en ‘binnen een aanvaardbare termijn’ niet aan de orde is dan kan er noodzaak zijn voor Wmo ondersteuning.
Gemeenten kunnen de kosten die zij maken voor Wmo-voorzieningen bij ongevallen na 1 januari 2019 zelf verhalen op aansprakelijkheidsverzekeraars.
Van 2015 tot en met 2018 hebben de VNG en het Verbond van verzekeraars jaarlijks een convenant afgesloten. De mogelijkheid voor gemeenten om schade te verhalen op een verzekeraar die partij was bij het convenant werd daarmee uitgesloten. De gemeenten ontvingen in plaats daarvan een afkoopsom.