Sein
Afbeelding
Omschrijving
Betekenis
Aandachtspunten
325a
L-bord
Een rechthoekig zwart bord met daarin een geel ellipsvormig vlak met een zwarte letter L.
Bij nacht voorzien van twee synchroon knipperende gele lichten.
Aankondiging van een tijdelijk beperkte snelheid.
Een L-bord staat circa 50 meter vóór het tijdelijke snelheidsbord (325b).
325b
Tijdelijk snelheidsbord
Een rechthoekig zwart bord met daarin een achtkantig geel vlak met een zwart getal.
Snelheid aanpassen tot de door het getal aangegeven
snelheid. Deze snelheid moet bereikt zijn bij het Abord (326). Het cijfer geeft de snelheid in tientallen km/u aan.
326
A-bord
Een rechthoekig zwart bord met daarin een geel ellipsvormig vlak met een zwarte letter A.
Bij nacht voorzien van een geel knipperend licht.
Aanduiding van het begin van het spoorgedeelte waarvoor de tijdelijk snelheidsbeperking geldt volgens het tijdelijke snelheidsbord (325b).
327
E-bord
Een rechthoekig zwart bord met daarin een groen ellipsvormig vlak met een witte rand en een witte letter E.
Bij nacht voorzien van een groen licht.
Aanduiding van het einde van het spoorgedeelte waarvoor de tijdelijke snelheidsbeperking geldt.
Na het E-bord mag de trambestuurder de toegestane baanvaksnelheid hervatten.
Eisen aan kegels: zie Kader Werkzaamheden Tramweg.
Sein
Afbeelding
Omschrijving
Betekenis
Aandachtspunten
A3
Gele kegel
Een gele verkeerskegel of een kegel met gele lamp, geplaatst naast het spoor.
In het donker met knipperend geel licht.
Snelheid verminderen en rekenen op ‘stop’ voor het volgende sein.
S1
Rode kegel
Een rode verkeerskegel of een kegel met rode lamp, geplaatst in het spoor.
In het donker met knipperend rood licht.
Aanvang werkplek. De trambestuurder stopt voor dit sein. Op aanwijzing van de LWB-tram of VHM verder rijden met de ter plaatse toegestane snelheid.
S2
Rode vlag of lamp
Een opgestoken rode vlag.
In het donker een rode lamp.
Aanvang werkplek. De trambestuurder stopt voor dit sein. Op aanwijzing van de VHM verder rijden met de ter plaatse toegestane snelheid.
Bij werkzaamheden in de nacht dient een zichtbaar wit, geel of rood licht gebruikt te worden met de bewegende hand.
Sein
Afbeelding
Omschrijving
Betekenis
Aandachtspunten
V1
Noodstop
Beide handen boven het hoofd heen en weer bewegen.
De trambestuurder maakt een noodstop.
V2
Langzaam rijden
Hand horizontaal langzaam op en neer bewegen.
De trambestuurder rijdt met een gepaste snelheid.
V3
Stop
Hand opgestoken naast het hoofd.
De trambestuurder stopt.
V4
Naar seingever toe rijden
Hand naast het hoofd van voren en naar achteren bewegen.
De trambestuurder mag oprijden naar de seingever toe.
V5
Van seingever af rijden
Hand van zo hoog naar zo laag mogelijk op en neer bewegen.
De trambestuurder mag van de seingever afrijden.
Achteruit rijden van tram is niet toegestaan. Alleen toepassen bij uitzonderingssituaties. Begeleiding bij achterzijde van de tram is noodzakelijk.
Een geluidssein wordt gegeven met een fluit of toeter.
Een lange toon duurt 2 tot 3 seconden, een korte toon duurt 1 seconde of korter.
Sein
Afbeelding
Omschrijving
Betekenis
Aandachtspunten
G1
Noodsignaal
Minimaal 5 korte tonen na elkaar.
De werkenden verlaten onmiddellijk het spoor.
G2
Let op
Eén lange toon.
Er passeert een voertuig in het naastgelegen spoor.
G3
Stop werk
Lange toon, dan korte toon, dan lange toon.
Stop of pauzeer de werkzaamheden. De werkenden gaan uit het spoor.
G4
Hervat werk
Eén korte toon.
Werkenden mogen het spoor weer betreden.
Sein
Afbeelding
Omschrijving
Betekenis
Aandachtspunten
Gb1
Een matig lange toon, te geven met de claxon/hoorn of het belsignaal.
Ter afwending van direct gevaar. Te geven:
- bij het naderen van het einde van een tegemoetkomende tram, tenzij waarneembaar is dat er geen overweg of wegkruising kort achter deze tram ligt.
Gb2
Een korte toon, te geven met het belsignaal.
Langzaam verkeer opgelet. Te geven:
- als waarschuwing van langzaam verkeer in nabijheid van de naderende tram.
- bij het naderen van het einde van een tegemoetkomend rail- of wegvoertuig rijdend op tram/busbaan.
Sein
Afbeelding
Omschrijving
Betekenis
Aandachtspunten
T1
Frontsein
Drie naar voren gerichte, witte lichten, waarvan twee op gelijke hoogte en het derde midden daarboven.
Voorzijde van een tram.
T2
Sluitsein
Twee naar achteren gerichte rode lichten op het laatste voertuig.
Achterzijde van een tram.
T3
Remlicht
Twee naar achteren gerichte rode lichten op het laatste voertuig.
De tram vermindert snelheid als gevolg van bediening van het remsysteem. Het remlicht kan tegelijk met het sluitsein worden getoond. Het remlicht licht sterker op dan het sluitsein.
T4
Richtingaanwijzer
Aan de linker langszijde en aan de voor- en achterzijde van de tram, links van het midden, knipperende oranje lichten.
De tram zal links afslaan. De richtingaanwijzer kan tegelijk met front- en sluitsein en eventueel het remlicht getoond worden.
Aan de rechter langszijde en aan de voor- en achterzijde van de tram, rechts van het midden, knipperende oranje lichten.
De tram zal rechts afslaan. De richtingaanwijzer kan tegelijk met front- en sluitsein en eventueel het remlicht getoond worden.
T5
Zie sein T4
Alarmverlichting
Knipperende richtingaanwijzers aan beide zijden.
Gevaar. De alarmverlichting kan tegelijk met het front- en sluitsein en eventueel het remlicht worden getoond.