Naar hoofdinhoud
4.1 Inleiding Bij beperkingen ten aanzien van het voeren van een huishouden kan een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden een passende oplossing zijn. De beperkingen bij het voeren van een huishouden uiten zich bijvoorbeeld door (dreigende) vervuiling van de woning en/of van kleding. Dit doordat de cliënt het huishouden niet meer (voldoende) zelf kan doen Ook kan er sprake van zijn dat de cliënt niet in staat is voor zichzelf maaltijden te bereiden. Hulp bij het huishouden wordt, net als bij andere maatwerkvoorzieningen, alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen die cliënt hierbij ondervindt, kunnen voorkomen of oplossen. In de dagelijkse praktijk betekent dit dat, waar dat mogelijk is, cliënt, de leefeenheid of het netwerk de huishoudelijke werkzaamheden (blijven) uitvoeren. Zo nodig wordt aanvullend hierop ondersteuning bij het huishouden geboden. Hulp bij het huishouden kan ook worden geboden als een mantelzorger overbelast dreigt te raken. Er wordt onderscheid gemaakt in vijf te bereiken resultaten: schoon en leefbaar huis; schone was; regie en instructie; maaltijden; thuis zorgen voor kinderen. 4.2 Maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden (ZIN) Indien de cliënt kiest voor de maatwerkvoorziening in natura, bepaalt het college de toegang tot de voorziening, maar koppelt dit niet aan een indicatie in uren. Er wordt bekeken op welke vijf resultaten er ondersteuning nodig is. Aan de hand daarvan wordt bepaald welk profiel bij het behalen van het beoogde resultaat passend is. Er zijn drie profielen gebaseerd op de beschreven resultaten: Profiel A. Schoon & leefbaar huis Profiel B. Schoon & leefbaar huis, schone was Profiel C. Schoon & leefbaar huis, schone was, regie en instructie Indien de resultaatgebieden ‘maaltijden’ en ‘thuis zorgen voor kinderen’ van toepassing zijn kunnen deze in combinatie met een profiel of apart worden geïndiceerd in uren. Ondersteuningsplan Kiest de cliënt tijdens het gesprek voor ZIN, dan dient hij één van de door het college gecontracteerde aanbieders te kiezen. Het college stuurt het ondersteuningsplan deel 1 met de hulpvraag, de beoogde resultaten en het profiel/product naar de gekozen aanbieder. De cliënt en aanbieder komen samen overeen hoe het beoogde resultaat wordt bereikt en wat hiervoor van de kant van de aanbieder wordt ingezet. Deze afspraken worden vastgelegd in deel 2 van het ondersteuningsplan dat door beide partijen wordt ondertekend en dat bij het college wordt ingediend. De ondersteuningsplannen zijn altijd maatwerk. 4.3 Maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden (pgb) Net als bij een maatwerkvoorziening in natura wordt bij een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb samen met de cliënt bekeken bij welke vijf resultaten er ondersteuning nodig is. Het college stuurt het ondersteuningsplan deel 1 met de hulpvraag, de beoogde resultaten en het profiel/product naar de cliënt. Cliënt vult het tweede deel van het ondersteuningsplan in, met de frequentie, activiteiten en benodigde uren en dient dit in bij het college. Het college toetst dit aan de individuele omstandigheden in combinatie met de geldende maatstaven. Als de activiteiten en de frequentie in het ondersteuningsplan afwijken van de geldende maatstaven, wordt de noodzaak tot afwijking beoordeeld en gemotiveerd vastgelegd in het onderzoeksverslag en beschikking. 4.4 Normeringskader voor de te bereiken resultaten Per cliënt wordt beoordeeld welke ondersteuning voor de te bereiken resultaten nodig is. Daarbij worden twee aspecten in acht genomen: De activiteiten die in een gemiddeld huishouden bijdragen aan het te bereiken resultaat en de (gemiddelde) frequentie die voor uitvoering van deze activiteiten nodig is, gegroepeerd per categorie van activiteiten; De factoren die van invloed zijn op de frequentie en/of tijdsbesteding van die categorieën van activiteiten. Voor beide aspecten is een normeringskader (maatstaf) ontwikkeld aan de hand van een onafhankelijk en objectief onderzoek: ‘Onderzoek Maatstaf hulp bij het huishouden, gemeente Amsterdam’ van 28 februari 2017. Dit onderzoek is uitgevoerd door bureau HHM, in samenwerking met KPMG Plexus, in opdracht van de gemeente Amsterdam. Aan de basis van het onderzoek in Amsterdam lag een reeds uitgevoerd onderzoek in Utrecht (waarbij observaties hebben plaatsgevonden in Utrecht, Emmen en Haarlem), Twente en Hoorn. Dit onderzoek heet ‘Normering van de basisvoorziening ‘Schoon Huis’ en dateert van 12 augustus 2016. Het onderzoek dat in de opdracht van de gemeente Amsterdam door Bureau HHM is uitgevoerd borduurt hierop voort en is ontwikkeld in de lijn met de uitspraken van de Centrale Raad voor Beroep (CRvB ECLI:NL:CRVB:2018:3835 ). Het onderzoek heeft geleid tot een objectief en onafhankelijk normeringskader voor hulp bij het huishouden. Het college conformeert zich aan de uitkomsten van dit onderzoek. In het normeringskader zijn de benodigde activiteiten omschreven en is bepaald met welke frequentie deze moeten worden uitgevoerd. Daarnaast is er bij het ontwikkelen van het normeringskader rekening gehouden met weegfactoren. Zo hoeft er niet bij een cliënt gedweild te worden, als deze vloerbedekking heeft. Ook is het stofzuigen van de trap in een gelijkvloerse woning niet van toepassing. Door aan de hand van het normeringskader steeds per cliënt te beoordelen welke activiteiten, in welke frequentie, en welke beïnvloedende factoren van toepassing zijn voor het te behalen resultaat, wordt een beeld geschetst van de bijdrage die de professionele ondersteuning kan bieden en kan er per cliënt maatwerk worden geboden. De tijdsnormeringen zijn indicatief. Er wordt per cliënt altijd een individuele afweging gemaakt. Als er redenen zijn om af te wijken van de normering, kan dat, mits schriftelijk onderbouwd, altijd. Een uitwerking van het normeringskader aan de hand van de onderzoeksresultaten is opgenomen in bijlage 1. In de volgende 5 paragrafen worden de te bereiken resultaten nader omschreven. Op een aantal punten wordt afgeweken van de uitkomsten van het onderzoek. Daar waar een afwijking van toepassing is, zal dit worden aangegeven. Hoofdstuk 5 van het onderzoek heeft betrekking op ‘het beschikken over boodschappen’. Het college besluit dit geen onderdeel van de maatwerkvoorziening te laten zijn, omdat er voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn voor het bezorgen van boodschappen. Tenslotte valt het resultaat ‘thuis zorgen voor kinderen’ buiten de reikwijdte van het onderzoek. Voor dit resultaat is sprake van veel beïnvloedende variabelen met een sterk wisselende uitkomst. Daardoor is het onmogelijk een algemeen geldende maatstaf op te stellen. Voor de normering van de activiteiten met betrekking tot het thuis verzorgen van kinderen heeft het college zich geconformeerd aan 3.2.1 en 3.2.2 van de ’Wmo richtlijn, Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden’ van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van december 2006. 4.5 Uitwerking van resultaat 1: schoon en leefbaar huis Een schoon en leefbaar huis wil zeggen dat een cliënt kan beschikken over: een schone woonkamer; een schoon slaapvertrek; een schone keuken; schone sanitaire ruimtes; een schone gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Dit betekent dat deze vertrekken niet vervuilen om zo een naar algemeen aanvaarde maatstaven verantwoord basisniveau van ‘schoon en hygiënisch’ te realiseren. Leefbaar staat voor een opgeruimd en functioneel huis, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het gaat bij dit resultaatgebied alleen om de binnenruimte van de woning. Werkzaamheden in huis die niet noodzakelijk zijn om de ruimtes waarin geleefd wordt schoon, hygiënisch en leefbaar te houden, vallen niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied. Niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied (ruimten en/of activiteiten) behoren: de buitenruimte, waaronder ook het zemen van de ramen aan de buitenzijde of het tuinonderhoud, een gezamenlijke galerij of trap (waarvoor de bewoner mede verantwoordelijk is om deze schoon te houden); de verzorging van huisdieren (niet zijnde hulphonden/-dieren); het schoonhouden van ruimtes die hierboven niet zijn genoemd, zoals een vliering, berging, garage en de trap of gang die niet grenst aan een kamer die onder de norm valt, voor zover er in deze ruimtes geen elementaire woonfuncties worden verricht. Het boenen van vloeren en in de was zetten van meubilair, poetsen van zilver en koper. Om te komen tot het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ moeten de activiteiten zoals benoemd in bijlage 1 worden uitgevoerd. Aspecten die bij dit resultaat een rol spelen Samen met de cliënt wordt bekeken of deze nog in staat is om onderdelen van het schoonmaken zelf uit te voeren, zoals het uitvoeren van lichte werkzaamheden (bijvoorbeeld stoffen, afwassen, met vochtige reinigingsdoekjes schoonmaken van het toilet of met statische stofdoeken reinigen van harde vloerbedekking). Daarbij kan een rol spelen of cliënt dat alleen op lichaamshoogte kan doen, of ook laag en/of hoog. Van de cliënt wordt dus binnen zijn mogelijkheden gevraagd om werkzaamheden te (blijven) uitvoeren zodat het schoonmaken efficiënt gebeurt. Als de cliënt de regie kan voeren over het huishouden, mag van hem tevens worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en er keuzes worden gemaakt. Ook wordt van een cliënt de medewerking gevraagd om de ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Er wordt gekeken of door een aanpassing van de inrichting/stoffering winst te behalen is, zodat de woning minder (snel) vervuilt en efficiënter schoon gemaakt kan worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de wijze waarop de woning is ingericht. Het gezellig maken van de woning door het plaatsen van snuisterijen of beeldjes kan, als de woning hier vol mee staat, de voortgang van de werkzaamheden belemmeren. Dit kan betekenen dat de cliënt gevraagd wordt voor de komst van de hulp de spulletjes alvast van het dressoir of de tafel te halen en later weer zelf terug te plaatsen. Of dat er wat spullen worden opgeruimd. Cliënt kan uiteraard ervoor kiezen dit niet te doen, maar dat kan effect hebben op de kwaliteit van de schoonmaak. 4.6 Uitwerking van resultaat 2: schone was Dit resultaatgebied omvat twee resultaten: cliënt beschikt over schone kleding en linnengoed; cliënt beschikt indien medisch noodzakelijk over gestreken was. Om te komen tot het resultaat ‘schone was’ moeten de activiteiten zoals benoemd in bijlage 1 worden uitgevoerd. In afwijking van hoofdstuk 4 van het ‘Onderzoek Maatstaf hulp bij het huishouden’ besluit het college om strijken geen onderdeel van de maatwerkvoorziening te laten zijn, tenzij gestreken was medisch noodzakelijk is. Aspecten die bij dit resultaat een rol spelen De kosten van wasmiddelen en de aanschaf en het gebruik van de apparatuur voor was en strijk komen voor rekening van de cliënt. Niet altijd hoeft voor alle onderdelen (volledig) ondersteuning geboden te worden. Zo kan het zijn dat cliënt wel in staat is om de was in de machine te doen, maar niet om de was op te hangen of te strijken. Ook is het mogelijk dat cliënt door de werkzaamheden anders te organiseren deze (gedeeltelijk) zelf kan blijven doen. Bijvoorbeeld door de wasmachine of droger op een verhoging te plaatsen of de was zittend op te vouwen of te strijken. Dergelijke oplossingen zijn voorliggend op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Van de cliënt wordt verwacht dat deze bij aanschaf van kleding zoveel mogelijk erop let dat het strijken hiervan niet noodzakelijk is. Ook wordt verwacht dat cliënt vermijdt dat kleding via speciale wasprogramma’s of handwas moet worden gewassen. Cliënt kan hiertoe echter niet worden verplicht. Ook wordt verwacht dat hij voldoende kleding en ondergoed heeft, zodat er bijvoorbeeld één keer per twee weken in plaats van één keer per week gewassen kan worden. 4.7 Uitwerking van resultaat 3: regie en instructie Indien een cliënt beperkingen ervaart op het gebied van regie voeren in het huishouden, is het resultaatgebied ‘regie en instructie’ van toepassing. Er dient per individu een inschatting gemaakt te worden of er in alle redelijkheid kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het doen van het huishouden nog aangeleerd kan worden. Er zijn geen weegfactoren voor het resultaatgebied ‘regie en instructie’ geformuleerd. Wel zijn er beïnvloedende factoren, zoals de leerbaarheid van een cliënt. Hoe sneller de activiteiten zijn aangeleerd, hoe sneller de ondersteuning eindigt. Het gaat bij het resultaatgebied ‘regie en instructie’ om 2 categorieën: Categorie 1 Het aanleren (en samen uitvoeren) van activiteiten gericht op de resultaten: ‘schoon en leefbaar huis’ ‘schone was’ ‘maaltijden’ Dit betreft cliënten die leerbaar zijn, zoals mensen met een (recente) lichamelijke beperking of mensen die de activiteiten nooit hebben aangeleerd maar deze moeten gaan uitvoeren door het wegvallen van een partner of gezinslid. Het gaat om tijdelijke ondersteuning (maximaal 6 weken), waarbij aansluiting wordt gezocht bij het onderzoek van Bureau HHM en KPMG Plexus. Categorie 2 Structureel adviseren, instrueren (en samen uitvoeren) van activiteiten gericht op de resultaten: ‘schoon en leefbaar huis’ ‘schone was’ ‘maaltijden’ Dit betreft cliënten die beperkter leerbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege psychiatrische of cognitieve problemen als dementie, niet aangeboren hersenletsel (NAH), of een licht verstandelijke beperking (LVB). De ondersteuning is structureel noodzakelijk. Bij deze categorie wordt aansluiting gezocht bij de normen die door het CIZ zijn bepaald. 4.8 Uitwerking van resultaat 4: maaltijden Indien noodzakelijk kan voor het opwarmen van maaltijden en het verzorgen van broodmaaltijden een voorziening op basis van de wet worden verstrekt. Bij het verzorgen van de maaltijd wordt uitgegaan van 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd per dag, waarbij 1 of 2 keer per week ook in plaats van een warme maaltijd een broodmaaltijd aan de orde kan zijn. De activiteiten die behoren tot het resultaat maaltijden zijn: Tafel dekken/maaltijd klaarzetten (eten en drinken klaarzetten) Afruimen Opwarmen maaltijd Bereiden broodmaaltijd Afwassen óf in- en uitruimen vaatwasser Als de hulp moet komen worden activiteiten zoveel mogelijk geclusterd. Er wordt vanuit gegaan dat als de cliënt bij alle drie de maaltijden op een dag hulp nodig heeft, de hulp twee keer per dag langs moet komen: de eerste keer om twee broodmaaltijden klaar te zetten en de tweede keer om de warme maaltijd op te warmen. Voor het bereiden van maaltijden (= koken) wordt geen voorziening op basis van de Wmo verstrekt. De reden hiervoor is dat er voldoende algemeen toegankelijke voorzieningen beschikbaar zijn, zoals kant-en-klaar-maaltijden uit de supermarkt. Voor het resultaat ‘maaltijden’ is alleen de weegfactor ‘de aanwezigheid van een vaatwasser’ van toepassing. Dit bepaalt of in het huishouden de vaatwasser moet worden in- en uitgeruimd, of dat er moet worden afgewassen. Als cliënt ondersteund moet worden bij het feitelijke eten en/of drinken valt deze hulp onder de Zorgverzekeringswet. Aspecten die bij dit resultaat een rol spelen Beïnvloedende factoren voor het resultaat maaltijden zijn: De aanwezigheid van een vaatwasser in de woning. Dit heeft specifiek gevolgen voor de activiteit afwassen. De tijdsbesteding voor het in- en uitruimen van de vaatwasser is namelijk iets kleiner dan voor afwassen. Het verschil is echter minimaal. De aanwezigheid van een magnetron in de woning. Dit heeft gevolgen voor de activiteit ‘opwarmen maaltijd’. Zonder magnetron kost dit meer tijd. Een meerpersoonshuishouden (meerdere volwassenen of kinderen): twee maaltijden in de magnetron kosten ook twee keer zoveel tijd als één maaltijd. Ook het smeren van de broodmaaltijd kost meer tijd. 4.9 Uitwerking van resultaat 5: thuis zorgen voor kinderen Als er in noodgevallen kortdurende overbrugging nodig is, kan hulp bij het huishouden worden ingezet. De oorzaak van en de reden voor deze kortdurende overbrugging ligt bij de ouders. Deze is tijdelijk niet in staat om de ouderrol op zich te nemen. Er is een indicatie mogelijk voor de verzorging van de kinderen conform hun leeftijd. Een dergelijke indicatie is van korte duur (maximaal 3 maanden). Binnen deze periode moet een eigen oplossing worden gevonden. Oppas en opvang van gezonde kinderen vallen in principe niet onder de Wmo, daarvoor zijn andere, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen voorhanden (zie ook hoofdstuk 3 van deze beleidsregels). Gebruik van opvang als voorliggende voorziening voor oppas en opvang van gezonde kinderen tot 5 dagen per week is redelijk. Aspecten die bij dit resultaatgebied een rol spelen Er zijn geen weegfactoren voor het resultaatgebied ‘Thuis zorgen voor kinderen’ geformuleerd. Wel zijn er beïnvloedende factoren, zoals de uitval van een ouder binnen een eenoudergezin en de leeftijd en de ontwikkeling van het kind. Bij echtscheiding vervalt normaliter het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke zorg voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor kinderen verdwijnt echter niet. Bij uitval van een verzorgende ouder moet ook onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder. Hierbij wordt gekeken naar in het echtscheidingsconvenant vastgelegde afspraken. Voor de perioden dat de kinderen bij de verzorgende, uitgevallen ouder zijn, kan er een indicatie voor opvang zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een eenoudergezin.

Rechtspraak bij dit artikel