Naar hoofdinhoud
5.1 Inleiding Begeleiding als maatwerkvoorziening in de Wmo 2015, is gericht op het bevorderen of behoud van zelfredzaamheid en participatie, zodat de cliënt zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven functioneren.Bij zelfredzaamheid in relatie tot de maatwerkvoorziening begeleiding gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de cliënt in staat kan stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te (blijven) functioneren. In de eerste plaats kan het gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de cliënt, waardoor hij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren (bijvoorbeeld het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag). Begeleiding kan ook de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren, bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. De inzet van begeleiding door een aanbieder dient in alle gevallen antwoord te geven op de ondersteuningsvraag van de cliënt. Daarnaast dient een ‘meetbaar’ resultaat voor de cliënt te worden geformuleerd. De cliënt kan zo samen met de begeleider doelmatig werken aan zijn eigen zelfredzaamheid en- of participatie. 5.2 Profielen (ZIN) Wanneer de cliënt kiest voor begeleiding in de vorm van zorg in natura (ZIN), worden de beoogde resultaten en de ondersteuningsbehoefte door het college gekoppeld aan een profiel. Een profiel geeft een indicatie van de intensiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en is inhoudelijk gekoppeld aan de resultaten uit het onderzoeksverslag. Dit laatste is leidend in de keuzes bij de totstandkoming van het profiel. Er wordt gebruik gemaakt van een digitaal beoordelingsinstrument om tot een profiel te komen. Het instrument wordt gezien als een hulpmiddel voor het college. Het digitale beoordelingsinstrument is te downloaden via de website www.sociaaldomeinmlw.nl. Het college heeft te allen tijde de mogelijkheid om van het geselecteerde profiel af te wijken als de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, mits dit duidelijk en passend schriftelijk wordt onderbouwd in het onderzoeksverslag. 5.2.1 Opbouw van profielen De definitie van een profiel geeft aan dat het om een hoeveelheid zorg en/of ondersteuning gaat waarvan de aard en omvang door de aanbieder met een cliënt, passend bij een door het college vastgesteld financieel kader, wordt overeengekomen. Het voor de cliënt van toepassing zijnde profiel wordt mede bepaald door de uitgangssituatie van de cliënt, het te behalen resultaat en de cliëntgebonden factoren en persoonlijke omstandigheden, die direct of indirect invloed hebben op de inspanning die de aanbieder moet leveren om het beoogde resultaat te bereiken. De definitieve keuze voor een profiel wordt ingegeven door: de aard van de beperking; de intensiteit van de ondersteuningsbehoefte; het beoogde resultaat. Het digitale beoordelingsinstrument is daarbij een belangrijk hulpmiddel. In het werkafsprakenboek wordt een inhoudelijke beschrijving gegeven van de toepassing van het beoordelingsmodel. In onderstaande tekst wordt een samenvatting gegeven om op deze manier de totstandkoming van een profiel weer te geven. 5.2.1.1 Aard van de beperking Zoals in 5.2.1 beschreven is de keuze voor een profiel mede afhankelijk van de aard van de beperking die van invloed is op de ondersteuningsvraag. De beschrijving welke het meest bepalend is voor de ondersteuningsvraag en passend is bij het te behalen resultaat wordt gekozen als aard van de beperking. Bij het bepalen van de aard van de beperking, wordt gebruik gemaakt van de dominante grondslag waarop de ondersteuningsvraag is gericht, namelijk: psychiatrische aandoening of beperking somatische aandoening of beperking psychogeriatrische aandoening of beperking verstandelijke beperking of handicap (VG) lichamelijke beperking of handicap (LG) Voor de definities van bovengenoemde grondslagen wordt verwezen naar de begrippenlijst van de Monitor Langdurige Zorg. 5.2.1.2 Intensiteit van de ondersteuningsbehoefte De intensiteit van de ondersteuningsbehoefte heeft betrekking op de omvang van de ondersteuningsvraag. Een ondersteuningsvraag bij ambulante begeleiding omvat voornamelijk planbare ondersteuning. Het is mogelijk dat iemand vanwege psychische problematiek er niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag toezicht of ondersteuning. In dit geval wordt doorverwezen naar beschermd wonen. Wanneer er geen sprake is van psychische problematiek, maar er wel een ondersteuningsbehoefte bestaat aan 24-uurs toezicht of nabijheid van ondersteuning, wordt doorverwezen naar de Wet langdurige zorg (Wlz). In de profielen voor begeleiding is er sprake van een trapsgewijze opbouw in de intensiteit, te weten: Basis: bij een intensiteit ‘basis’ is er sprake van een incidentele ondersteuningsbehoefte. Meestal betreft dit één tot twee (korte) contactmomenten per week. Ook bestaat de mogelijkheid minder frequente contactmoment noodzakelijk zijn, wanneer de beoogde resultaten hiermee behaald kunnen worden. Het is ook mogelijk dat de cliënt beperkte collectieve ondersteuning nodig heeft, wanneer het beoogde resultaat daarmee wordt behaald. Aanvullend: Bij een intensiteit ‘aanvullend’ is sprake van een structurele maar niet dagelijkse ondersteuningsbehoefte. De cliënt heeft hierbij vaak meerdere malen per week behoefte aan ondersteuning om op deze manier de beoogde resultaten te behalen. De contactmomenten kunnen verschillen in duur en frequentie, afhankelijk de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Intens: Bij een intensiteit ‘intens’ is er sprake van een structurele, doorgaans dagelijkse, ondersteuningsbehoefte. Het betreft meerdere intensieve contactmomenten per week die langere tijd in beslag nemen of meerdere kortdurende contactmomenten per dag. Bij het toekennen van een profiel wordt gekeken naar een te verwachten gemiddelde in ondersteuningsbehoefte over de gehele indicatieperiode. Begeleiding en de complexiteit van de beperkingen vergt flexibiliteit van de zorgaanbieder: het is maatwerk en kan per periode verschillend zijn. 5.2.1.3 Het beoogde resultaat Het beoogde resultaat van de begeleiding wordt tijdens het gesprek door de cliënt (en evt. zijn netwerk) in samenspraak met het college beschreven. Om het beoogde resultaat te bepalen zijn vijf resultaatgebieden opgesteld: Het vermogen om zelfstandig te leven. Het deelnemen aan het maatschappelijk leven. Het hebben van dagstructuur. Het voeren van regie. Het ontlasten van de mantelzorger. Deze resultaatgebieden worden onderverdeeld in meerdere sub-resultaten. Voor de exacte beschrijving hiervan wordt doorverwezen naar het werkafsprakenboek voor begeleiding. 5.2.2 Het beoordelingsinstrument Om tot een gemiddelde ondersteuningsbehoefte te komen maakt het college gebruik van een digitaal beoordelingsinstrument als hulpmiddel. De intensiteit van de ondersteuningsvraag in relatie tot het beoogde resultaat wordt hiermee ingeschat. Het instrument is een beknopte vragenlijst welke aan de hand van 5 vragen met een vijf- of vierpuntsschaal wordt gescoord. Het beoordelingsinstrument is te downloaden via www.sociaaldomeinmlw.nl. 5.2.3 Definitieve profielbepaling Het beoordelingsinstrument geeft een suggestie voor de keuze van een profiel, rekening houdend met de kenmerken van de cliënt en zijn omgeving. Het is in alle gevallen het college die het uiteindelijke profiel selecteert. De profielkeuze wordt schriftelijk gemotiveerd in het onderzoeksverslag. 5.3 Geen profiel Een aantal zaken met betrekking tot begeleiding past niet in de profielen: Kortdurend verblijf; Vervoer van en naar de begeleiding in groepsverband; Begeleiding voor personen met een zintuiglijke beperking; Begeleiding in de vorm van een pgb. Voor de hierboven genoemde zaken geldt dat deze worden toegekend als product, waarbij het soort product, de omvang, de frequentie en de tijdsduur van de inzet apart worden geïndiceerd. Het kan ook voorkomen dat de ondersteuning dusdanig omvangrijk is dat deze buiten de bandbreedte van de profielen valt, maar de cliënt niet in aanmerking komt voor Wlz of Beschermd Wonen. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om een vorm van 'outreachende zorg', zeer intensieve begeleiding in overlast gevende situaties waarin er sprake kan zijn van zorgmijding, reduceren van ernstige verwaarlozing, voorkomen van huisuitzetting, inzet van (bijna dagelijkse) intensieve begeleiding om overlast in de wijk tot een minimum te beperken. Ook in deze gevallen zal een indicatie in de vorm van (een) product(en) worden toegekend. Er wordt dan geen profiel toegekend. Hiervoor wordt verwezen naar het actuele ‘Producten- en dienstenboek Wmo’ van de regio Midden-Limburg West. Tenslotte worden er ook geen profielen, maar producten, toegekend bij begeleiding in de vorm van een pgb. 5.3.1 Kortdurend Verblijf Kortdurend verblijf is een vorm van begeleiding die wordt ingezet om de mantelzorger(s) en de directe omgeving tijdelijk te ontlasten, met als doel het versterken en/of behoud van de mantelzorg en een leefbare thuissituatie. Kortdurend verblijf is een voorziening die bedoeld is als respijtvoorziening. Dat houdt in dat kortdurend verblijf geïndiceerd kan worden als de gebruikelijke ondersteuning (mantelzorg) tijdelijk niet in staat is de begeleidingsfunctie uit te voeren of deze daarvan te ontlasten. Er moet altijd sprake zijn van een ondersteuningsbehoefte in zelfredzaamheid bij de cliënt, die door het tijdelijk wegvallen van de mantelzorger niet vervuld wordt. Als die behoefte er niet is, en een cliënt die geen ondersteuning nodig heeft en wil toch ergens kortdurend verblijven, dan zijn daarvoor andere (commerciële) mogelijkheden. Cliënten die in aanmerking komen voor kortdurend verblijf: hebben chronische complexe problemen door een somatische, zintuiglijke of verstandelijke beperking, een psychische of cognitieve aandoening, en; zijn gezien hun zorgbehoefte aangewezen op zorg gepaard gaand met min of meer permanent toezicht, en; worden met bovenstaande dagelijks ondersteund door een mantelzorger die tijdelijk ontlast moet worden of tijdelijk is weggevallen. Bij kortdurend verblijf gaat het om verblijf gedurende een aantal etmalen per week. Het verblijf is aanvullend op het wonen in de thuissituatie en wordt niet gezien als wonen in een instelling zoals bedoeld in de Wlz. Kortdurend verblijf in de Wmo onderscheidt zich van eerstelijns verblijf in die zin dat er geen sprake is van een medische noodzaak of herstel na een medische ingreep. De reden voor het verblijf ligt in het gebrek aan zelfzorgend en zelfregelend vermogen van de cliënt. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de mantelzorger tijdelijk wegvalt. Er kunnen ook andere redenen zijn om een cliënt tijdelijk elders te laten verblijven, bijvoorbeeld wanneer de mantelzorg overbelast is of dreigt te raken. Kortdurend verblijf omvat het verblijf met inbegrip van maaltijden en wasverzorging. Aanvullend kan tijdens het kortdurend verblijf afzonderlijk een product Begeleiding worden toegekend. Deze begeleiding maakt geen deel uit van het product Kortdurend verblijf. In specifieke gevallen kan het nodig zijn voor de cliënt aanvullende verzorging en verpleging te organiseren. Deze diensten vallen niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 maar van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Bijzonderheden Kortdurend verblijf voor mensen met een verblijfsindicatie Wlz (zoals hieronder toegelicht), ook indien die niet is verzilverd, kunnen geen recht ontlenen aan de Wmo 2015. Dit geldt ook voor medisch noodzakelijk verblijf. Logeeropvang (Wlz) Als er sprake is van de noodzaak van levenslang permanent toezicht of 24 uurs-zorg in de nabijheid, zal er kortdurend verblijf als logeeropvang ter ontlasting van de mantelzorgers in het kader van de Wlz aan de orde zijn. Als kortdurend verblijf wenselijk is vanwege wachtlijsten voor opname, gaat het over overbruggingszorg (Wlz). Eerstelijnsverblijf Zorgverzekeringswet (Zvw) Een tijdelijke behoefte van de verzekerde aan medisch noodzakelijk verblijf in verband met geneeskundige zorg valt onder de Zvw. De medische noodzaak tot geneeskundige zorg van voorbijgaande aard moet de verzekerde zelf betreffen. 5.3.2 Vervoer Als er in een profiel sprake is van dagbesteding, kan een aanvullend product verstrekt worden voor het noodzakelijke vervoer van huis naar de dagbestedingslocatie en retour. Het product wordt alleen verstrekt als het college heeft vastgesteld dat vervoer noodzakelijk is. Indien buiten de profielen producten worden toegekend kan naast het product dagbesteding (= begeleiding in groepsverband), het product vervoer worden toegekend. 5.3.3 Specialistische begeleiding voor personen met een zintuiglijke beperking Bij de ondersteuning aan mensen met een zintuiglijke beperking gaat het om specifieke ondersteuning. Er is een beperkt aantal aanbieders waarbij de inhoud van het aanbod zeer specialistisch is. Het ministerie van VWS heeft landelijke inkoopafspraken voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking gemaakt. Het college neemt de diensten van deze gecontracteerde instellingen af, betreffende de specialistische begeleiding van visueel en/of auditief beperkte volwassenen. Doventolk Het college kan gehouden zijn om een maatwerkvoorziening te verlenen ten behoeve van de inschakeling van een doventolk door de cliënt. Dit geldt als deze voorziening niet is opgenomen in de landelijke inkoop én de cliënt vanwege de mate van zelfredzaamheid is aangewezen op deze specialistische vorm van maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een doventolk bij het voeren van een gesprek in de normale leefsituatie zoals een bezoek aan huisarts of specialist, een notaris, de kerk, een conferentie of een ouderavond op school. 5.3.4 Begeleiding in de vorm van een pgb Begeleiding in de vorm van een pgb wordt toegekend op basis van producten en een indicatie in uren, waarbij de normeringen van CIZ als richtlijn worden gehanteerd. Een combinatie van begeleiding in de vorm van een pgb en zorg in natura is niet mogelijk. Een profiel is immers het pakket aan ondersteuning dat geacht wordt volledig te zijn. De cliënt heeft de keuzevrijheid een volledig pgb aan te vragen voor alle vormen van begeleiding. Onderzoeksverslag Net als bij een maatwerkvoorziening in natura wordt bij een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb samen met de cliënt bekeken welk resultaat met de ondersteuning behaald moet worden. Hiervoor worden de generieke resultaten en bijbehorende sub-resultaten gebruikt. Het college beschrijft in samenspraak met de cliënt het onderzoeksverslag met hierin de ondersteuningsvraag, de beoogde resultaten en typen activiteiten. Ook wordt een tekstuele bijdrage van de cliënt verwacht. De cliënt dient zelf een concrete uitwerking in het onderzoeksverslag te beschrijven van de ondersteuning die men met behulp van het pgb gaat inkopen (invulling van de ‘hoe’-vraag).

Rechtspraak bij dit artikel