Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.2

Normen voor de toepassing op landbodem

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Tholen houdende regels omtrent het bodembeheer

In de Regeling bodemkwaliteit zijn de landelijke Achtergrondwaarden vastgelegd. Deze gelden als toetsingskader om te bepalen of grond “schoon” is. Wettelijk gezien mogen geen strengere normen worden gesteld dan de Achtergrondwaarden. Het Besluit bodemkwaliteit relateert het beleid voor het toepassen van grond en bagger aan zowel de kwaliteit als de functie van de ontvangende bodem. Voor de bodemfunctie gelden de klassen "Wonen" en "Industrie". Daarnaast zijn er bodemkwaliteitsklassen "Wonen" en "Industrie" met bijbehorende maximale waarden. Voor toepassingen op de landbodem gelden derhalve de volgende normen: Achtergrondwaarde (AW2000) Maximale waarden voor Wonen (MaxWonen) Maximale waarden voor Industrie (MaxIndustrie) Voor de meeste stoffen is MaxIndustrie gelijk aan de interventiewaarde. Met name voor veel organische verbindingen waaronder minerale olie, PCB’s en diverse bestrijdingsmiddelen is MaxIndustrie lager dan de interventiewaarde. Figuur 1 geeft de normstelling aan voor toepassingen van grond- en baggerspecie in het generieke kader. Figuur 1: Normstelling voor toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem in het generieke kader. Bron: Handreiking Besluit bodemkwaliteit door Bodem+. Door gebruik te maken van het gebiedsspecifiek beleid kan men normen vaststellen die optimaal aansluiten bij de functies, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied. Deze normen worden ook wel de Lokale Maximale Waarden (LMW) genoemd. Dit houdt in dat, met het oog op bescherming van de bodemkwaliteit, het bevoegd gezag LMW mag vast stellen die soepeler of strenger zijn dan de landelijke generieke normen. Een voorwaarde hierbij is dat sprake moet zijn van standstill op gebiedsniveau. Indien de kwaliteit van de bodem wordt verslechterd, dient elders (binnen het bodembeheergebied) de kwaliteit van de bodem te worden verbeterd. Niet elke LMW mag worden vastgesteld. Hieraan zijn grenzen verbonden. LMW mogen namelijk geen onaanvaardbaar risico opleveren voor mens, plant of dier. De grens voor het vaststellen van LMW ligt tussen de Achtergrondwaarden en het zogenaamde saneringscriterium. Deze normstelling is weergegeven in figuur 2. Figuur 2: Normstelling voor toepassen van grond- en baggerspecie op of in de bodem in het gebiedsspecifieke kader. Bron: Handreiking Besluit bodemkwaliteit door Bodem+. Voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen geldt een apart normenkader. Hierbij wordt niet getoetst aan de bodemkwaliteitsklasse of functieklasse van de ontvangende bodem. Het kader voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen valt buiten de reikwijdte van deze Nota bodembeheer en wordt daarom niet behandeld.

Rechtspraak bij dit artikel