De vergunning, als bedoeld in artikel 3, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken, indien:
de vergunninghouder niet binnen één jaar, nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot onttrekking, omzetting of woningvorming, onderscheidenlijk tot inschrijving in de openbare registers van de akte van splitsing in appartementsrechten;
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens, waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat zij onjuist of onvolledig waren;
de aan de vergunning verbonden voorwaarden niet worden nageleefd;
in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; voordat hieraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld als bedoeld in die wet worden gevraagd;
vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat het gebruik van de vergunning leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op de leefbaarheid in de omgeving van het desbetreffende pand;
De vergunning, als bedoeld in artikel 3 vervalt van rechtswege, indien:
de woning, woonruimte of het gebouw, waarvoor de vergunning geldt, uiterlijk twee jaren, nadat het door brand of een vergelijkbare calamiteit is verwoest, vernield of beschadigd, niet zodanig is hersteld, dat weer van de vergunning, overeenkomstig alle daarin gestelde voorwaarden, gebruik wordt gemaakt;
de vergunninghouder het gebruik van de woning, woonruimte of het gebouw, waarvoor de vergunning geldt, beëindigt;
burgemeester en wethouders geven een schriftelijke bevestiging van het vervallen van rechtswege van een vergunning.