Naast het in hoofdstuk 3 beschreven generieke beleid biedt het Bbk ook de mogelijkheid om gebiedsspecifiek (eigen) beleid op te stellen.
In beginsel gebeurt dat door in plaats van de generieke klassengrenzen (Wonen en Industrie) Lokale Maximale Waarden (LMW) vast te stellen. Daarmee kan men verantwoord op maat aansluiten bij lokale omstandigheden.
De generieke klassengrenzen zijn gebaseerd op een risicobenadering. Daarbij worden vaste gebruiksscenario’s gekozen en ‘standaard’ omstandigheden als uitgangspunt genomen.
Situaties die anders zijn dan standaard, zijn bijvoorbeeld een oude binnenstad of een toemaakdek in veenweidegebied. Enkele voorbeelden zijn toegelicht in paragraaf 4.2.
Bij gebiedsspecifiek beleid dient nadrukkelijk omschreven te worden waarvoor het wel en niet van toepassing is en of er bepaalde voorwaarden aan verbonden zijn.
Gebiedsspecifiek beleid kan ook opgesteld worden als men een gebied bewust schoner wil maken dan de bodemfunctieklasse aangeeft. Een uitwerking is ook in dat geval vereist. Om economische redenen wordt deze keuze niet vaak gemaakt.
Gebiedsspecifiek beleid kan, mits voldoende onderbouwd, ook opgesteld worden met LMW boven de Interventiewaarde uit de Wbb. Grondverzet boven de Interventiewaarde is dan wel beperkt tot de zone waarvoor dit beleid is uitgewerkt.
Een LMW kan echter nooit boven het saneringscriterium gekozen worden. Boven het saneringscriterium treedt altijd de saneringsregeling van de Wbb in werking.
Gebiedsspecifiek beleid kan nooit opgesteld worden beneden de Aw. De grens voor schone grond is landelijk gedefinieerd als multifunctioneel (dus altijd) toepasbaar.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.1.