Waar het generieke beleid van kracht is gelden regels bij grondverzet. De toe te passen grond moet voldoen aan de strengste van twee eisen:
De grond moet van dezelfde of een betere kwaliteitsklasse zijn dan de ontvangende bodem.
De grond moet van dezelfde of een betere kwaliteitsklasse zijn dan de klasse op de door B&W vastgestelde bodemfunctieklassenkaart.
De eerste eis geeft invulling aan het uitgangspunt ‘standstill’. De tweede eis aan het uitgangspunt ‘duurzame kwaliteit’. Als er geen bodemfunctieklasse is vastgesteld, geldt de Achtergrondwaarde. In dat geval kan alleen schone grond worden toegepast.
Toe te passen grond moet voorzien zijn van een wettig bewijsmiddel. Deze zijn in de regelgeving nader omschreven.
Voor de ontvangende bodem gelden ook regels voor het vaststellen van de kwaliteit. Een gangbaar verkennend bodemonderzoek, zoals bijvoorbeeld uitgevoerd voor een bij bouw verplicht bodemonderzoek NEN 5740, volstaat vaak. Dit dient te worden afgestemd met de Omgevingsdienst.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.1.