Bij gebiedsspecifiek beleid gaat het vrijwel altijd om situaties waarbij een hogere mate van verontreiniging wordt toegestaan dan uit het generieke beleid zou volgen. Een eis bij het uitwerken van dit beleid is dan ook dat een risico-onderbouwing daar deel van uitmaakt.
Wettelijk is een toets met de Risicotoolbox voorgeschreven. Daarmee wordt modelmatig inzichtelijk gemaakt bij welke vormen van blootstelling een mogelijk risico ontstaat. Vervolgens kan onderbouwd worden of dat risico in de onderzochte situatie ook echt van toepassing is. Het is een hulpmiddel om te beoordelen of afwijken van een standaard risicobeoordeling verantwoord is.
Soms kan gericht onderzoek naar de werkelijke opname van stoffen door mens, plant of dier nodig zijn om een afwijking van de standaardnorm te onderbouwen.
Voorbeeld van risico-onderbouwing bij agrarisch gebruik van gebied met toemaak
Modelmatig gaat men er vanuit dat een deel van de bodemverontreiniging opgenomen wordt door gras. Die verontreiniging wordt vervolgens opgenomen door vee en zo beïnvloedt dit het dierenwelzijn en producten als melk en vlees. Daarbij gaat men, om veiligheid zo goed mogelijk te garanderen, uit van een ‘worst case’ benadering.
Het is natuurlijk ook mogelijk om in plaats van deze modelmatige berekening daadwerkelijk te meten in hoeverre sommige stoffen door gras of dieren opgenomen worden. Daarmee wordt de invoer in de modellen nauwkeuriger en blijkt vaak meer acceptabel.
Situaties waarin gebiedsspecifiek beleid een strenger beleid voorstaat dan uit generiek beleid volgt, vragen eveneens een motivering. De risico-onderbouwing zal dan echter geen probleem zijn. Er wordt immers schonere grond toegepast dan uit het standaard blootstellingsscenario volgt.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.5.