De regelgeving staat toe dat baggerspecie van een bepaalde kwaliteit verspreid wordt op het ‘aangrenzend perceel’. Evenzo bestaat er de mogelijkheid om baggerspecie van verspreidbare kwaliteit op te slaan in zogenaamde weilanddepots grenzend aan de watergang.
Aangrenzend perceel
De regelgeving is niet helemaal helder over wat onder aangrenzend wordt verstaan. In de toelichting op het Bbk wordt teruggegrepen op de tekst van de Waterstaatswet uit 1900. Die omschrijving was eigenlijk bedoeld voor het begrip ontvangstplicht (het verplicht accepteren van baggerspecie uit een aangrenzende watergang op een perceel). Daarin wordt aangegeven in welke gevallen ook een verder van de watergang gelegen perceel als aangrenzend telt.
In de toelichting bij het Bbk wordt verder aangegeven dat een bevoegd gezag verondersteld wordt bij de interpretatie daarvan enige ruimte te kunnen nemen. Dit leidt soms tot discussie of baggerspecie op een bepaalde plaats mag worden toegepast.
De Omgevingsdienst hanteert als uitgangspunt dat een perceel in beginsel daadwerkelijk aangrenzend moet zijn. Wel mag een volgend, verder van de watergang afgelegen perceel gebruikt worden als sprake is van:
Kades naast de watergang
Een weg of fietspad naast de watergang of de kade
Een erg smal perceel als dat als eerste in aanmerking komt (denk als richtsnoer aan < 10 meter)
Bebouwing (denk aan een enkele bebouwde strook, zoals huis met tuin)
(Weiland)depots
Bij depots voor baggerspecie geldt hetzelfde. Daar is vaak nog een punt van discussie hoe ver een depot, ook als het aan de aangrenzende watergang ligt, af mag liggen van de plaats waar gebaggerd wordt. De Omgevingsdienst hanteert voor de afstand van het te baggeren traject tot aan het perceel waarop een depot wordt gerealiseerd de volgende afspraken:
De watergang moet over het hele traject een vrije doorstroming hebben. Bruggen, duikers e.d. zijn daarbij, mits sprake is van normale doorstroming, geen belemmering. Dammen of een andere waterscheiding wel.
De afstand van het te baggeren tracé mag vanuit de rand van het depot maximaal 2.000 meter bedragen.
Wanneer het te baggeren tracé met kwaliteit msPAF deels wordt onderbroken door vakken met een slechtere kwaliteit, is dat, mits verklaarbaar, geen belemmering om de baggerspecie uit het vervolg van het tracé toe te passen.
Zijwatergangen op de aangrenzende watergang worden ook tot aangrenzend gerekend. Als afstand wordt de lengte via het wateroppervlak gesommeerd, niet de afstand hemelsbreed. Het maakt daarbij niet uit of het depot aan een hoofdwatergang ligt en de zijwatergang het kleinere water is of omgekeerd.
In situaties waarin de vervuilingsgraad laag is, kan soepeler worden omgegaan met het bovenstaande. Een vak dat bijvoorbeeld slechts gedeeltelijk binnen de afstand van twee kilometer valt kan dan toch geaccepteerd worden.
Dit sluit aan bij de resultaten van het onderzoek dat door Alterra is uitgevoerd naar de gevolgen van het verspreiden van bagger op de kant. Zie hiervoor ook paragraaf 6.4 over de mogelijk toekomstige ontwikkelingen in de regelgeving.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.3.