6.2.1. Algemene regels
Voor het toepassen van baggerspecie op landbodem gelden dezelfde regels als voor het toepassen van grond. Daarnaast zijn er extra regels voor op de kant verspreidbare baggerspecie.
Dit resulteert in de volgende mogelijkheden:
Onder generiek beleid:
Baggerspecie mag worden toegepast wanneer dit van gelijke of betere kwaliteit is als de ontvangende bodem èn voldoet aan de bodemfunctieklassenkaart.
Het is daarbij niet nodig de baggerspecie na ontwatering en rijping een tweede maal te keuren.
Onder gebiedsspecifiek beleid:
De eisen die gesteld worden aan het toepassen van grond gelden ook voor het toepassen van baggerspecie. De LMW is dan een bepalend toetsingscriterium.
Baggerspecie op de kant (verspreidingsbeleid)
Hiervoor geldt de toetsing aan de zogenaamde msPAF (meer soorten potentieel aangetaste fractie). Dit is een aanduiding van ecologische risico’s. Baggerspecie die hieraan voldoet mag altijd op een naast gelegen perceel worden verspreid. De toets op standstill is dan niet nodig. De toets aan msPAF is landelijk vastgelegd. Daar kan niet van worden afgeweken met gebiedsspecifiek beleid.
Deze laatste toepassingsvorm is een tegemoetkoming aan het feit dat waterschappen traditioneel een belangrijk deel van hun baggerspecie op de kant konden toepassen.
Daarbij is vaak discussie over wat onder aan de watergang grenzend mag worden gerekend.
Een ander punt van kritiek is dat de msPAF weliswaar een ecologische toets is, maar verder slechts beperkt aan mogelijke risico’s gerelateerd is. Het is echter een vorm van toepassing die bij wet is toegestaan. Bij de geplande herziening van het Besluit bodemkwaliteit medio 2014 wordt het regime van verspreiden op de kant mogelijk ingrijpend herzien.
6.2.2. Gebruik waterbodemkwaliteitskaart
Het Hoogheemraadschap van Rijnland beschikt in verband met het onderhoud aan de watergangen in haar gebied over veel onderzoeksgegevens. Op dit moment wordt gekeken of het nuttig is om een waterbodemkwaliteitskaart (wbkk) op te stellen. Het voordeel betreft vooral de financiële en administratieve inspanning, ook voor de Omgevingsdienst. Een wbkk zal bij de toezichttaak bijdragen aan het effectief kunnen beoordelen van op landbodem toegepaste baggerspecie. De betrouwbaarheid van het milieuhygiënische kwaliteitsbeeld moet daarbij voorop staan.
Voor het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater is de waterkwaliteitsbeheerder (Hoogheemraadschap van Rijnland) bevoegd gezag, ook voor het vaststellen van een wbkk. Waar het gaat om toepassen van bagger op landbodem moet een bewijsmiddel echter ook door het bevoegd gezag voor de landbodem worden geaccepteerd. Dat zijn de gemeenten, c.q. de Omgevingsdienst.
Verontreiniging kan zich relatief gemakkelijk via water verspreiden. De kwaliteit van de waterbodem kan mede daardoor veranderen, evenals door periodiek baggeren. De formele geldigheid van waterbodemonderzoek varieert in het algemeen tussen de drie en vijf jaar. Voor periodieke herhaling van baggerwerk is vaak nieuw onderzoek nodig.
In verband met de mogelijke veranderingen in baggerkwaliteit is een wbkk alleen betrouwbaar als aan een aantal uitgangspunten wordt voldaan. De verwachting moet zijn dat de kwaliteit met de tijd niet snel verslechterd. De belangrijkste eisen zijn dan:
De watergangen mogen niet als verdacht zijn aangemerkt. Met name watergangen in de buurt van wegen met een bepaalde verkeersintensiteit, spoorlijnen, glastuinbouw en (jacht)havens worden als verdacht beschouwd. De volledige lijst staat in de Ministeriële Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie (Stcrt 1997, nr. 245).
Er mag geen sprake zijn van lozingen of incidenten sinds het opstellen van de wbkk. De kans op nieuwe verontreiniging moet (vrijwel) afwezig zijn.
Uitsluitend schonere watergangen. Het gaat dan met name om watergangen die maximaal aan de kwaliteit voor op de kant verspreidbare baggerspecie voldoen (msPAF).
De baggerspecie is uitsluitend bestemd voor toepassing in de directe omgeving.
Van deze watergangen valt te verwachten dat de milieuhygiënische kwaliteit van de baggerspecie niet aan grote schommelingen onderhevig zal zijn. In die gevallen is het mogelijk om voor langere periode af te zien van onderzoek ten behoeve van bijvoorbeeld op de kant verspreidbare baggerspecie.
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is voornemens om middels een pilotproject hiermee praktische ervaring op te doen. Omdat het gaat om het toepassen van baggerspecie op landbodem ligt hier ook een rol voor de Omgevingsdienst. Het Hoogheemraadschap wil de Omgevingsdienst daarom betrekken bij zowel de uitvoering van de pilot als bij het daarna opstellen van een wbkk.
Als de resultaten van de pilot positief uitvallen en het Hoogheemraadschap doorgaat met het opstellen van wbkk, zal de Omgevingsdienst per geval beoordelen of een wbkk als bewijsmiddel voor het op de kant verspreiden van baggerspecie geaccepteerd wordt. De bovengenoemde uitgangspunten, samen met eventuele bevindingen uit de pilot, zullen daarbij worden gehanteerd.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.2.