De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit wordt bij beëindiging of intrekking van de uitkering opnieuw vastgesteld.
De in het eerste lid genoemde termijn is niet van toepassing als er sprake is van een verplichte vordering.
Bij alle vorderingen van de debiteur wordt de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 10, eerste lid, vermeerderd het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld.
Hoofdstuk 3
Artikel 11
Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren die geen recht (meer) hebben op een uitkering
Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ Gooise Meren 2021