Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 5

Afzien van terugvordering

Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ Gooise Meren 2021

In afwijking van artikel 2, aanhef en onder b en c, kan het college afzien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering als de belanghebbende: gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan of gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering geen of onvolledige betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal verrichten; een bedrag, overeenkomend met ten minste 50 procent van de rest-schuld in één keer aflost. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruikt gemaakt in situaties waarin tevoren vrijwel vast staat dat de gebruikelijke wijze van invordering minder oplevert dan datgene dat met afkoop van 50 procent van het restant kan worden geïncasseerd. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt genomen als de belanghebbende daar schriftelijk om verzoekt of ambtshalve. De in het eerste lid onder a. en b. genoemde termijn van vijf jaar is drie jaar, als het gemiddeld inkomen van de belanghebbende, minus de aflossing die is gedaan ter nakoming van de betalingsverplichting, in die periode niet hoger is (geweest) dan de wettelijke beslagvrije voet. Dit artikel is niet van toepassing op vorderingen die: het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht of tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; door pand of hypotheek op een zaak of zaken zijn gedekt, behalve en voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. Het op basis van dit artikel genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken, als op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel