Het Bbk kent twee beleidsvormen:
generiek beleid
gebiedsspecifiek beleid
Het generieke beleid geldt automatisch als men geen eigen beleidskeuzes maakt en bestuurlijk vaststelt.
Het Bbk kent als uitgangspunten de begrippen standstill en duurzaam gebruik. Het duurzaam gebruik wordt geborgd door het verplicht opstellen van een kaart waarop de bodemfunctieklassen zijn vastgelegd.
De bodemfunctieklassen zijn:
Achtergrondwaarde (Aw)
Wonen (Wo)
Industrie (Ind)
De toetsingsnormen die bij deze klassen horen geven de mate van verontreiniging aan waarbij het bijbehorend gebruik verondersteld wordt blijvend duurzaam te kunnen plaatsvinden. Zij zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit.
Dezelfde klassenindeling wordt gebruikt voor het benoemen van actuele bodemkwaliteit. Alleen spreekt men dan over bodemkwaliteitsklassen.
Bij grondverzet binnen het generieke kader gelden twee eisen waaraan de kwaliteit van toe te passen grond of baggerspecie (op klassenniveau) moet voldoen:
Toe te passen grond moet gelijk of beter van kwaliteit zijn dan de bodemfunctieklasse van de toepassingslocatie. Dit is de eis ‘duurzaam’.
De bodemfunctieklasse staat aangegeven op de daartoe door B&W vastgestelde kaart.
Toe te passen grond moet, op klassenniveau, gelijk of beter zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Dit is de eis ‘standstill’.
De strengste van de twee bovengenoemde eisen is bepalend.
In gebieden waar de actuele bodemkwaliteitsklasse en de bodemfunctieklasse van elkaar verschillen, kan dat als een belemmering voor grondverzet ervaren worden.
Dat kan geïllustreerd worden aan de hand van onderstaande voorbeelden:
In gebieden waar bijvoorbeeld woningbouw gepland is, zou de bodemkwaliteit ‘Wonen’ ten aanzien van het toekomstig gebruik acceptabel zijn. De kwaliteit van een relatief schone ontvangende bodem kan dan echter leiden tot de eis dat de toe te passen grond van de kwaliteit Aw moet zijn. In situaties waar een gemeente elders veel grond vrij krijgt die (deels) uit kwaliteit Wo bestaat kan dat hergebruik van op zich functioneel geschikte grond in de weg staan. En dus leiden tot onnodige kosten.
Binnen gebied met toemaakdek is grondverzet vaak niet toegestaan.
Toemaak is stadsafval dat historisch als ophoogmateriaal en meststof gebruikt werd, vooral in laaggelegen landelijk gebied zoals veenweiden. In onze regio is dat regelmatig gebeurd. Deze gebieden zijn daardoor in zekere mate verontreinigd.
De functie van deze gebieden is in het algemeen agrarisch gebruik en extensieve recreatie. Op de bodemfunctieklassenkaarten worden zij daarom standaard ingedeeld als Aw. Daaruit volgt dat op deze locaties bij grondverzet alleen schone grond mag worden toegepast.
Uit gebruik van de afgelopen eeuwen zijn echter geen werkelijke risico’s naar voren gekomen. Ook kan het uit oogpunt van instandhouding van specifiek cultuurlandschap en om redenen van ecologisch beheer gewenst zijn gronduitwisseling van toemaakdek naar vergelijkbare percelen mogelijk te maken.
Hergebruik in de omgeving voorkomt daarbij nodeloze grondafvoer.
Door gebiedsspecifiek beleid uit te werken is grondverzet bij de genoemde voorbeelden vaak wel mogelijk.
Soms kan binnen een gebied grondverzet op basis van een bodemkwaliteitskaart toegestaan worden. Ook dat is een vorm van gebiedsspecifiek beleid.