Uit de Jeugdwet volgt dat het college een onderzoek moet doen naar de behoefte aan jeugdhulp als de jeugdige en/of zijn ouder(s) dat bij het college heeft gemeld. In tegenstelling tot de Wmo 2015 schrijft de Jeugdwet niet voor welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Uit de jurisprudentie blijkt overigens dat het college niet altijd alleen kan uitgaan van de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het gaat er om dat het college een volledig beeld krijgt van de situatie (bijv. RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439).
Stappenplan
In CRVB:2017:1477 heeft de Centrale Raad van Beroep zich voor het eerst uitgesproken over vraag waar onderzoek van het college aan moet voldoen wanneer een jeugdige en/of zijn ouder(s) zich melden. Wanneer een melding wordt gedaan moet het college allereerst:
vaststellen wat de hulpvraag van jeugdige of ouders is;
in kaart brengen van de opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problematiek;
vaststellen welke problemen en stoornissen er zijn;
bepalen welke hulp van de gemeente nodig is;
nagaan of die hulp bijvoorbeeld door de ouders kan worden geboden;
en als dat nodig is moet het college zich bij de besluitvorming laten adviseren door een specifieke (jeugdhulp)deskundige.
In bijlage 3. zijn deze stappen nader uitgewerkt.
Spoedhulp
Art. 2.6, eerste lid aanhef en onder b, van de Jeugdwet bepaalt onder meer dat jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden. De verplichting tot het zorgen voor spoedhulp laat zich niet vertalen in beleidsregels, maar is afhankelijk van de individuele situatie. Het bepalen van de urgentie is van belang om vast te kunnen stellen hoe snel de voorziening moet worden gestart. Bij de bepaling van de urgentie zijn veiligheid van de jeugdige, het risico op kindermishandeling, de balans tussen draaglast en draagkracht en de escalatie van de problematiek essentieel. Er zijn vervolgens drie gradaties van urgentie met bijbehorende criteria te onderscheiden:
Crisis: Er is sprake van crisis bij een plotselinge, ernstige ontregeling (in de fysieke, sociale en psychische gesteldheid van de cliënt of van de omgeving) met als gevolg het ontstaan van een acuut onhoudbare situatie in het thuismilieu of de woonsituatie van de jeugdige. Denk bijvoorbeeld aan: ernstige verwaarlozing, ernstig fysiek of seksueel misbruik, er moet direct in het gezag worden voorzien, ouder of jeugdige dreigt met suïcide, ouder of jeugdige heeft een psychose.
Spoed: Is een situatie waarbij een crisis dreigt doordat: - problematiek ernstig, langdurig of complex is en/of - de verhouding tussen draaglast/draagkracht uit balans is geraakt.
Regulier: - enkelvoudige of meervoudige problematiek waarbij geen sprake is van een dreigende crisis.
Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de jeugdige en zijn ouder(s) het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (art. 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en dat zij daaraan hun medewerking verlenen als het college daar om vraagt (art. 8.1.2, derde lid, van de wet). De medewerkingsverplichting voor de uitvoering van de wet geldt overigens niet alleen bij de aanvraag. Het niet verlenen van medewerking kan er toe leiden dat het college de behoefte aan jeugdhulp niet kan vaststellen (CRVB:2019:276). De gemeente hanteert het uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en/of gesproken.
Alleen de inlichtingenplicht voor jeugdigen en/of zijn ouder(s) die is verbonden aan een verstrekt persoonsgebonden budget is wettelijk geregeld (art. 8.1.2 van de Jeugdwet). De verordening bepaalt daarom dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) ook verplicht zijn op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande jeugdhulp in natura (art. 6.1, tweede lid, van de verordening).