Naar hoofdinhoud
Voor het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek kan het noodzakelijk zijn om (medische) gegevens op te vragen bij derden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huisarts, de school, de jeugdgezondheidszorg of een betrokken zorgverlener. Er worden alleen (medische) gegevens bij derden opgevraagd als deze gegevens daadwerkelijk noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van een volledig beeld van de situatie van de jeugdige en de eventuele jeugdhulp die noodzakelijk is. Indien informatie wordt opgevraagd, worden de jeugdige en/of zijn ouder(s) hierover mondeling geïnformeerd. Aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt uitgelegd waarom er contact wordt opgenomen met de derde, welke informatie wordt opgevraagd en waarom het opvragen van deze informatie noodzakelijk is. Tot 16 jaar worden ouders op de hoogte gebracht van het opvragen van de informatie en de noodzaak hiervan. Vanaf 12 jaar worden zowel de jeugdige als de ouders op de hoogte gebracht van het opvragen van de informatie en de noodzaak hiervan. Dit uiteraard voor zover de 12 tot 16-jarige in staat is zijn belangen te behartigen ( wilsbekwaam is) Vanaf 16 jaar wordt de jeugdige op de hoogte gebracht van het opvragen van de informatie en de noodzaak hiervan. Tenzij de 16-jarige niet wilsbekwaam is In sommige situaties zal informatie nodig zijn van professionals, die gebonden zijn aan het beroepsgeheim. Zowel in de Jeugdwet als in de Privacywetgeving is niet voorgeschreven dat deze toestemming schriftelijk door de ouders en of de jeugdige moet worden gegeven. Maar een schriftelijke toestemming verdient wel de voorkeur volgens de Autoriteit Persoonsgegevens2Zie Onderzoeksrapport De rol van toestemming in het sociaal domein d.d. april 2016. . Identificatie De Jeugdwet kent geen regels omtrent een identificatieplicht. Personen die een aanvraag indienen voor jeugdhulp dienen zich te legitimeren, door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Personen met de Nederlandse nationaliteit kunnen zich in ieder geval legitimeren door middel van een: paspoort; Europese identiteitskaart; een rijbewijs. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van de verblijfsrechtelijke status. De volgende documenten kan de gemeente voor de Jeugdwet in ieder geval als geldig identiteitsbewijs aanmerken: vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); buitenlands paspoort; vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Het rijbewijs is een algemeen erkend identiteitsbewijs (artikel 1 Wet op de identificatieplicht), maar in situaties waarin gegevens over verblijfsstatus en nationaliteit belangrijk zijn, geeft een rijbewijs geen duidelijkheid. Een rijbewijs zegt namelijk niets over de nationaliteit en verblijfsstatus.

Rechtspraak bij dit artikel