Naar hoofdinhoud
Iedere gemeente in Nederland kan geconfronteerd worden met honden die bijtincidenten veroorzaken. De meeste gemeenten hebben in hun Algemene Plaatselijke Verordening (naar model van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten) een of meerdere bepalingen opgenomen die het bevoegd gezag in staat stelt om maatregelen te treffen om zodoende herhaling van bijtincidenten tegen te gaan. In Deurne is dit eveneens het geval. In deze beleidsregel is beschreven hoe binnen de gemeentegrenzen van Deurne wordt omgegaan met dergelijke bijtincidenten. Deze beleidsregel is tot stand gekomen in samenspraak met de Nationale Politie (kortweg: politie) en het Openbaar Ministerie (kortweg: OM) binnen Oost-Brabant. De onderling gemaakte werkafspraken liggen daaraan ten grondslag. Ontwikkelingen en noodzaak beleidsregel Het houden van honden valt onder de reikwijdte van de Wet dieren (Wet van 19 mei 2011, Stb. 2011, 345). De aanpak van bijtincidenten is daarin niet specifiek geregeld, maar deze wet en de daarop gebaseerde ministeriële regelingen bevatten wel een fundament om op landelijk niveau daarin te voorzien. De vele jaarlijkse bijtincidenten in Nederland blijven ook op landelijk niveau zorgen baren en zeker de incidenten waar bepaalde hondenrassen, ‘lookalikes’ en speciaal gefokte kruisingen bij betrokken zijn. Medio 2016 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken de Raad voor Dieren- aangelegenheden (RDA) verzocht om een zienswijze op te stellen om de kans en het risico op het ontstaan van bijtincidenten door bepaalde typen honden (zogeheten hoog-risicohonden) te minimaliseren met inbegrip van (houderij)voorschriften die het gemeenten mogelijk maakt om in de preventieve sfeer maatregelen te treffen. Begin 2017 is de zienswijze van het RDA verwoord in het rapport “Hondenbeten aan de kaak gesteld; preventie van ernstige hondenbeten bij mens en dier”. Begin februari 2018 heeft de minister van LNV haar beleidsvoornemens over de aanpak van hoog-risicohonden (op basis van de Wet dieren) aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt. In maart 2018 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen waarbij opnieuw advies is gevraagd aan de RDA. Hier is het voorlopig bij gebleven. Op dit moment is er (nog) geen aanvullende landelijke regelgeving of een landelijk protocol voorhanden waarop gemeenten kunnen terugvallen in geval van bijtincidenten. Vanwege de complexiteit, de mate van beoordelingsruimte en de wisselwerking met andere rechtsgebieden (met name het strafrecht) is een beleidsregel van onmisbare waarde in de uitvoeringspraktijk. Wijzigingen Deze beleidsregel vervangt de Beleidsregel bijtincidenten honden 2016 en verschilt met zijn voorganger op een aantal punten. Allereerst is deze beleidsregel een regeling van de burgemeester en niet langer van het college van burgemeester en wethouders. Ten tweede hebben de werkafspraken met de politie en het OM geleid tot een uitgebreider stroomschema waarbij de wisselwerking tussen de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak explicieter tot uitdrukking is gebracht. Ten derde is nadrukkelijk rekening gehouden met actuele ontwikkelingen in de rechtspraak en de literatuur rondom het thema bijtincidenten1In het bijzonder wordt verwezen naar het in 2017 in de Gemeentestem verschenen tweeluik “Over honden en brokken; de publiekrechtelijke aanpak van bijtincidenten” van M.I. Tuk en M.A.D.W. de Jong (Gst. 2017/79 en Gst. 2017/89).. Het civiele recht In deze beleidsregel wordt de aanpak van bijtincidenten benaderd vanuit de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke invalshoek. Een bestuursrechtelijk of strafrechtelijk traject start pas vanaf het moment dat een bijtincident gemeld wordt bij de politie of de gemeente. Niet alle bijtincidenten worden gemeld. Vaak wordt schade door de eigenaar of houder van een bijtende hond vergoed zonder bestuursrechtelijke of strafrechtelijke interventie. In een dergelijke situatie blijft een incident beperkt tot een civielrechtelijke afhandeling. Deze afhandeling valt buiten de reikwijdte van deze beleidsregel. Werkafspraken en stroomschema Deze beleidsregel is voorzien van een stroomschema (zie bijlage). Het stroomschema is vooral ook een vertaalslag van de werkafspraken die zijn gemaakt tussen de gemeente, de politie en het OM wat betreft de wijze hoe in de praktijk wordt omgegaan met honden die bijtincidenten veroorzaken. In zoverre fungeert deze beleidsregel ook als protocol. Deze beleidsregel geeft niet alle juridische mogelijkheden en wettelijke bevoegdheden weer. In goed overleg tussen gemeente (lees: burgemeester), politie en OM kan altijd gekozen worden voor andere procedures (maatwerk) voor zover daartoe in het concrete geval aanleiding bestaat. En in gevallen waarin het handelen conform de beleidsregel tot een te stringente toepassing leidt, wordt toepassing gegeven aan de inherente afwijkingsbevoegdheid ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Uitgangspunten Deze beleidsregel gaat uit van de volgende uitgangspunten: De burgemeester bepaalt aan de hand van alle relevante feiten en gegevens of een hond als hinderlijk of gevaarlijk moet worden aangemerkt. Lichte en ernstige bijtincidenten volgen in beginsel de bestuursrechtelijke route en bij recidive volgt in beginsel een zwaardere (bestuursrechtelijke) maatregel. Bij zeer ernstige bijtincidenten wordt zonder uitzondering de strafrechtelijke route gevolgd. Twee soortgelijke opeenvolgende bijtincidenten worden niet beschouwd als een incident van een zwaardere categorie. In Deurne is daar (in tegenstelling tot diverse ander gemeenten) niet voor gekozen. In het geval er sprake is van een bijtincident waaraan aanhitsing of het niet terughouden van een hond (zie onderdeel 5 van deze beleidsregel) is vooraf gegaan, dan werkt die omstandigheid verzwarend. Van de lichte bevelsbevoegdheid wordt terughoudend gebruik gemaakt en alleen in situaties waarin gevaarzetting acuut moet worden afgewend. Voor zover mogelijk wordt de voorkeur gegeven aan (super)spoedeisende bestuursdwang. Het stroomschema heeft de functie van hulpmiddel. Bij eventuele verschillen tussen de tekst van deze beleidsregel en het stroomschema (bijlage 1) wordt voorrang gegeven aan de tekst.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel