Wettelijk kader
De basis voor deze beleidsregel is gelegen in de Algemene Plaatselijke Verordening Deurne 2018 (APV). Het thema gevaarlijke honden vinden we terug in Hoofdstuk 2 met als opschrift “openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu” en is geregeld in de artikelen 2:59 (gevaarlijke honden) en 2:59a (gevaarlijke honden op eigen terrein).
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een muilkorfgebod is opgelegd, is verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegd minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft medegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 6:1 Strafbepaling
Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.
In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van bepalingen uit deze verordening die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
In geval van overtreding van de bij of krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Naast de genoemde artikelen uit de APV zijn ook andere bepalingen met het oog op de handhaving van bijtincidenten relevant. Het betreft de volgende bepalingen:
Bestuursrechtelijke bepalingen:
Artikel 125 Gemeentewet (bestuursdwang).
Artikel 172, derde lid, Gemeentewet (de lichte bevelsbevoegdheid).
Artikelen 1:3 (besluitbegrip).
Afdeling 3.2 en 3.3 Awb (voorbereiding en advisering).
Afdeling 4.1.2 Awb (hoorplicht).
Titel 5.3 Awb (herstelsancties).
Hoofdstuk 6 en 7 Awb (bezwaar en beroep).
Enkele belangrijke strafrechtelijke en strafvorderlijke bepalingen:
Artikel 300 en 302 WvSr (mishandeling en zware mishandeling).
Artikel 350 WvSr (vernieling of beschadiging van een zaak).
Artikel 425 sub 1 WvSr (verbod aanhitsen of onvoldoende terughouden).
Artikel 425 sub 2 WvSr (onvoldoende zorg voor onschadelijke houden).
Artikelen 96 WvSv (inbeslagname politie).
Begrippen
De gevolgen van bijtincidenten door honden kunnen zeer verschillend zijn. Afhankelijk van het veroorzaakte letsel of de schade die is ontstaan, wordt in deze beleidsregel een onderscheid gemaakt tussen lichte bijtincidenten, ernstige bijtincidenten en zeer ernstige bijtincidenten. Het onderscheid is van belang voor de procedure die gevolgd zal worden. Hierbij wordt - zoals eerder vermeld - onderscheid gemaakt tussen de bestuursrechtelijke weg en de strafrechtelijke weg.
Licht bijtincident: een voorval waarbij een hond een persoon of een ander dier (andere hond) heeft gebeten waarbij sprake is van gering letsel (bijvoorbeeld een kneuzing, bijtpuntjes in de huid of in de kleding) of kortdurende pijn en waarbij geen dringende (dier)geneeskundige behandeling noodzakelijk is, of zou zijn geweest.
Ernstig bijtincident: een voorval waarbij een hond een persoon of een ander dier (andere hond) heeft gebeten waardoor er letsel is ontstaan dat van dien aard is dat het slachtoffer zich noodzakelijkerwijs onder (dier)geneeskundige behandeling moet stellen of heeft moeten stellen.
Zeer ernstig bijtincident: een voorval waarbij een hond een persoon of een ander dier (andere hond) heeft gebeten waardoor deze persoon zwaar lichamelijk letsel (als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht) heeft opgelopen of is overleden dan wel een ander dier (hond) blijvend letsel heeft opgelopen of is overleden.
Het eerste lid van artikel 2:59 APV maakt onderscheid tussen hinderlijke honden en gevaarlijke honden. Van een hinderlijke hond is sprake als deze een licht bijtincident heeft veroorzaakt. Een hond die een ernstig of zeer ernstig bijtincident heeft veroorzaakt wordt aangemerkt als een gevaarlijke hond.
In het vervolg van deze beleidsregel komt het begrip gedragstest en risico-assessment ter sprake. Onder een gedragstest wordt verstaan: een beperkt onderzoek waarbij de bijtende hond op verschillende onderdelen (op vrijwillige basis) wordt getest op afwijkend gedrag en waarbij een inschatting wordt gemaakt op recidive. Een dergelijke gedragstest wordt afgenomen door een door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied benoemde gedragskeurmeester. Een risico-assessment is een breed en uitgebreid onderzoek naar het gedrag van de hond en het recidivegevaar dat alleen in opdracht van de overheid en doorgaans bij (zeer) ernstige bijtincidenten door het Risk-assessmentteam van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit van Utrecht wordt uitgevoerd.
‘Gedragstesten zijn er in Nederland in allerlei kleuren en maten. Enkel een gedragstest als hierboven omschreven geeft de burgemeester een zekere mate van houvast, maar is niet bindend. De burgemeester kan en mag er (gemotiveerd) van afwijken. Een risico-assessment is doorgaans wél bindend, maar ontslaat de burgemeester niet van de vergewisplicht die artikel 3:9 Awb met zich meebrengt’.
De begrippen kort aanlijnen en muilkorf zijn al voldoende duidelijk omschreven in de tekst van artikel 2:59 APV en spreken voor zich.
Artikel 2.