De burgemeester gaat - zoals hiervoor vermeld - niet over de strafrechtelijke aanpak van bijtincidenten. Omdat aan deze beleidsregel ook werkafspraken met de politie en het OM ten grondslag liggen en in bepaalde situaties het bestuursrechtelijke traject (route 1 en 2) overgaat in een strafrechtelijk vervolgtraject (route 3), is het gepast om nog een paar zaken op deze plaats in het kort te duiden.
Aanhitsen hond en onvoldoende terughouden
In het stroomschema (rechts bovenaan) wordt melding gemaakt van het aanhitsen van een hond of het onvoldoende terughouden van een hond bij een aanval. Zonder dat het tot een bijtincident komt, is het hier beschreven gedrag van een eigenaar/houder al strafbaar ingevolge het bepaalde in artikel 425 sub 1 WvSr (zie onderdeel 2). In het geval dat de hond als gevaarlijk wordt bestempeld kan hiertegen strafrechtelijk worden opgetreden. Komt het tot een bijtincident, dan is hetgeen eraan vooraf is gegaan (de context), al voldoende om route 3 van het stroomschema (rode lijn) te volgen.
Bijtincidenten in de privésfeer
Anders dan het bestuursrecht is de bevoegdheid om strafrechtelijk op te treden niet beperkt tot de publieke ruimte. Dat betekent dus dat (ook) tegen bijtincidenten die in de privésfeer plaatsvinden strafrechtelijk kan worden opgetreden. Doorgaans zal het dan gaan om overtreding van het in onderdeel 2 genoemde artikel 425 sub 2 WvSr (onvoldoende zorg voor onschadelijke houden van een dier).
Inbeslagname politie (artikel 96 WvSv)
Een opsporingsambtenaar van de politie is bevoegd om een hond in beslag te nemen als het gaat om:
ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit (zie artikel 425 sub 1 en 2 WvSr);
een misdrijf als omschreven in artikel 67 WvSv (zie artikelen 300, 302 en 350 lid 1 en 2 WvSr).
Een door de politie (al dan niet op last van het OM) in beslag genomen hond wordt in de regel aan een risico-assessment onderworpen. Uiteindelijk is het aan de Officier van Justitie om te bepalen wat er met de hond gebeurt5De strafrechtelijke aanpak wordt uitgebreid belicht in de in voetnoot 1 aangehaalde publicatie (Gst. 2017/89). Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen..
Artikel 5.