Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.3

Artikel 3.9

Criteria voor een maatwerkvoorziening

Onderdeel van Integrale verordening sociaal domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde

1.. Het college of de hiervoor in artikel 3.2 lid 3 bedoelde instantie neemt het onderzoeksverslag, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2.. De belanghebbende komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die hij ondervindt, voor zover hij deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 3.4van deze verordening en artikel 2.3.2 Wmo 2015 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de belanghebbende met psychische of psychosociale problemen en de belanghebbende die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de belanghebbende deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 3.4 en artikel 2.3.2 Wmo 2015 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3.. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang geldt dat een belanghebbende hiervoor alleen in aanmerking komt, als: de noodzaak tot ondersteuning voor de ingezetene redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en de voorziening voorzienbaar was, maar van belanghebbende redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. de maatwerkvoorziening gezien de beperkingen van belanghebbende veilig is voor hemzelf en zijn omgeving, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 4.. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, tenzij: de eerder verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de belanghebbende zijn toe te rekenen; de belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of de eerder verstrekte maatwerkvoorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de belanghebbende aan maatschappelijke ondersteuning. 5.. Indien een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 6. . Met inachtneming van lid 1 tot en met 5 van dit artikel kan een belanghebbende in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en; hij de situatie van dakloosheid en het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en; opvang een passende, noodzakelijke en bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de belanghebbende of anderen en de behoefte van de belanghebbende met als doel het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 7. . Met inachtneming van lid 1 tot en met 5 van dit artikel kan een belanghebbende (alsmede eventuele kinderen van deze belanghebbende) in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als deze de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico's voor de veiligheid van deze belanghebbende (en/of de kinderen van deze belanghebbende) als gevolg van huiselijk geweld, en de belanghebbende niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en; deze de situatie - waarbij de belanghebbende de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico's voor de veiligheid van de belanghebbende (en/of de kinderen van deze belanghebbende) als gevolg van huiselijk geweld , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en; opvang een passende, noodzakelijke en bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de belanghebbende (en/of de kinderen van deze belanghebbende), voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de belanghebbende met als doel het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende (en/of de kinderen van deze belanghebbende) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie zich te handhaven in de samenleving. 8. . Met inachtneming van lid 1 tot en met 5 van dit artikel kan een belanghebbende in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 als hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en; hij de situatie van psychische of psychosociale problemen - met als gevolg het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en; beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de belanghebbende of anderen en daarbij voorziet in de behoefte van de belanghebbende met als doel het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 9. . In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang of beschermd wonen nodig is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 3.2 onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 3.4 en artikel 2.3.2 Wmo 2015, en de aanvraag van de belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel