Het college van burgemeester en wethouders ziet er op toe dat de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving wordt nageleefd. Hiervoor heeft het college de directeur van de GGD Hollands Midden aangewezen als toezichthouder.
De toezichthouder onderzoekt of een bestaand kinderdagverblijf, BSO, gastouderbureau of gastouder aan de kwaliteitseisen voldoet. Hiervoor inspecteert hij volgens de wettelijke kaders de in de regio gevestigde voorzieningen voor kinderopvang.
Jaarlijks worden er door de gemeente en de GGD Hollands Midden afspraken gemaakt over toezicht, het zogeheten inspectiearrangement. Hierin zijn onder andere opgenomen:
een overzicht van de te inspecteren kinderopvangvoorzieningen;
de planning van de jaarlijkse inspecties;
het aantal uren per inspectie, afhankelijk van het soort opvang;
het inspectietarief.
De GGD en de gemeente bespreken dit inspectiearrangement minimaal één keer per jaar gezamenlijk. Daarnaast is er minimaal één keer per jaar een regio-overleg, waarbij alle gemeenten uit de regio Hollands Midden en de verantwoordelijke GGD aanwezig zijn. Vanaf 2009 is risico gestuurd toezicht ingezet onder het motto “meer toezicht waar nodig, minder waar mogelijk”. Doel hiervan is ervoor te zorgen dat de aandacht van het toezicht vooral uitgaat naar locaties die minder goed presteren op het gebied van kwaliteit.
Daarnaast wordt de toezichtlast minder voor houders die goed presteren. Het risico gestuurd toezicht is in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doorontwikkeld. De GGD werkt vanaf begin 2012 met landelijk ontwikkelde risicoprofielen. Voor iedere locatie wordt een risicoprofiel opgesteld. Aan de hand van de uitkomst van het risicoprofiel wordt nagegaan of er een verhoogde kans bestaat op het niet naleven van de kwaliteitseisen. De uitkomsten worden benut voor het bepalen van de vorm en mate van een volgend inspectieonderzoek. Dit leidt tot een inspectie op maat voor iedere locatie.
Er zijn verschillende soorten inspecties:
de aanvraag ”onderzoek voor registratie” inspecties (bij nieuwe voorzieningen voor kinderopvang en bij bestaande voorzieningen die verhuizen);
de drie maanden inspecties “onderzoek na registratie” (inspectie binnen drie maanden na het in exploitatie nemen van een nieuwe voorziening voor kinderopvang);
de reguliere (jaarlijkse) inspecties;
de nadere onderzoeken (naar aanleiding van reeds geconstateerde tekortkomingen);
de incidentele inspecties (naar aanleiding van signalen of incidenten).
Elke inspectie levert een inspectierapport op (naar een landelijk model). Als er gebruik gemaakt is van het herstelaanbod staat dit in het inspectierapport.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2