Blijkens artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang (Wko) wordt onder ‘kinderopvang’ verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begin.
Degene die voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie te nemen, dan wel voornemens is om gastouderopvang aan te bieden, moet hiervoor een aanvraag bij het college indienen (artikel 1.45, Wko). Pas na een positieve beschikking (toestemming exploitatie) van het college, mag worden gestart met het bieden van kinderopvang in de zin van de Wko.
Op het moment dat bij het college het vermoeden bestaat dat er sprake is van kinderopvang in de zin van de Wko waarvoor geen toestemmingsbeschikking is afgegeven, wordt gesproken over (mogelijke) niet-geregistreerde kinderopvang. Een dergelijk vermoeden kan bij het college ontstaan door bijvoorbeeld een signaal van een burger of van de toezichthouder. Het college onderzoekt een dergelijk signaal in samenspraak met de toezichthouder. Het uitgangspunt hierbij is om de (mogelijke) niet-geregistreerde aanbieder van kinderopvang met het vermoeden te confronteren en tot een oplossing te komen. Hierbij kan gedacht worden aan het alsnog indienen van een aanvraag onder de afspraak dat de kinderopvang pas wordt hervat op het moment dat een positieve beschikking wordt afgegeven.
Het bieden van kinderopvang zonder toestemmingsbeschikking is een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (artikel 1). Op het moment dat de niet-geregistreerde aanbieder van kinderopvang niet bereid is om mee te werken aan een oplossing als vernoemd, gaat het college over tot het doen van aangifte. Daarnaast kan het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgewogen.
Ook bij een kinderopvangvoorziening waarvan de toestemming tot exploitatie is ingetrokken (artikel 1.46, lid 5 en 6, Wko) en die desondanks in exploitatie blijft, is sprake van niet-geregistreerde opvang met dezelfde gevolgen als hiervoor beschreven.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.3