Indien uit het rapport van de toezichthouder blijkt dat een voorziening voor kinderopvang niet aan de kwaliteitseisen voldoet, zal de gemeente in principe handhavend optreden.
Hiervoor heeft de gemeente verschillende handhavingsinstrumenten en sancties tot haar beschikking. Enerzijds zijn het sancties gericht op het herstellen van de overtreding, anderzijds zijn het zogenaamde bestraffende sancties. Een herstelsanctie en een bestraffende sanctie kunnen naast elkaar lopen. De gemeente kan er ook voor kiezen om eerst een (schriftelijke) waarschuwing te geven. Dit is formeel geen onderdeel van het handhavingstraject.
De voorkeur van het college gaat uit naar het handhaven middels herstelsancties. Het doel van het handhavingsbeleid is immers om de kwaliteit te waarborgen en niet zo zeer de betreffende houder te bestraffen, ondanks dat het college zich daarbij realiseert dat bestraffende sancties ook preventieve werking kunnen hebben. Als er echter sprake is van een overtreding met prioriteit hoog, dan wordt in beginsel naast de herstelsanctie ook een bestuurlijke boete opgelegd.
In het hierna volgende zal allereerst worden aangegeven volgens welke stappen het op herstel gerichte handhavingsbeleid verloopt. Daarna zal het bestraffende handhavingsbeleid uiteengezet worden.
3.5.1Op herstel gericht handhavingsbeleid
Bij het uitvoeren van de handhavingsacties die nodig zijn indien een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving, hanteert het college in beginsel de volgende stappen:
aanwijzing;
last onder dwangsom/last onder bestuursdwang;
exploitatieverbod;
verwijdering uit het landelijk register kinderopvang.
Hierbij wordt aangetekend dat handhaving maatwerk is en dat er in elke situatie apart afgewogen zal moeten worden of en zo ja op welke wijze gehandhaafd zal worden. Proportionaliteit is daarbij van belang. Daardoor zijn niet automatisch alle genoemde stappen onverkort van toepassing op een geconstateerde overtreding.
Stap 1: aanwijzing (artikel 1.65, eerste en tweede lid, van de Wko)
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum (kinderdagverblijf of BSO), een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften (de ‘kwaliteitseisen”) niet of in onvoldoende mate naleeft, geeft de houder een schriftelijke aanwijzing.
In een aanwijzing wordt met redenen omkleed aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder binnen de gestelde termijn genomen dienen te worden. De duur van de hersteltermijn wordt bepaald door de zwaarte van de overtreding, die afgeleid is van de prioritering, zoals vastgelegd in het afwegingsoverzicht behorende bij de beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Gouda 2019. In geval van een overtreding met de prioriteit hoog, zal de hersteltermijn maximaal 14 dagen bedragen. Is er sprake van een overtreding met een gemiddelde prioriteit, dan bedraagt de hersteltermijn maximaal 10 weken.
Na het verstrijken van de hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle hiervan kunnen schriftelijke bewijsstukken worden opvraagt, dan wel opdracht worden gegeven voor een nader onderzoek (herinspectie). Is de overtreding niet beëindigd, dan zal een volgende stap worden ingezet.
Stap 2: last onder dwangsom of last onder bestuursdwang (Artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb))
De algemene bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd in artikel 125 van de Gemeentewet. In gevallen waarin het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelf de overtreding te beëindigen (op kosten van de overtreder) kan een last onder bestuursdwang opgelegd worden. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is een van de bestuursdwangbevoegdheid afgeleide bevoegdheid; neergelegd in artikel 5:32 Awb. De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor een geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsom geen resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een nieuwe, hogere, last onder dwangsom op te leggen. Dit vereist dan wel een nieuw besluit.
De last onder dwangsom kan ook preventief worden opgelegd. Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat enige overtreding heeft plaatsgevonden. Hiervoor geldt dat het gevaar van de overtreding ‘klaarblijkelijk dreigt’, dat wil zeggen dat de overtreding zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen.
Stap 3: exploitatieverbod (artikel 1.66 Wko)
Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten Dit kan het college zolang de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is of als blijkt dat een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang naar verwachting niet of niet langer aan de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gegeven voorschriften zal voldoen.
Stap 4: verwijdering uit het LRK (artikel 1.46, vijfde en zesde lid en 1.47a van de Wko en artikel 8 van het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang.
Er zijn verschillende gronden waarop het college, in het kader van handhaving, een voorziening uit het LRK kan verwijderen:
indien is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening exploiteert en er geen verzoek tot wijziging is ingediend;
indien uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij en krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van de Wko gegeven voorschriften;
indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de organisatie voor kinderopvang niet daadwerkelijk is aangevangen.
Voortzetting van de exploitatie na intrekking van de toestemming en verwijdering van de registratie uit het landelijk register kinderopvang, leidt tot niet registreerde kinderopvang en kan leiden tot een bestuurlijke boete of vervolging door het Openbaar Ministerie in verband met overtreding van de Wet op de economische delicten.
3.5.2Bestraffend handhavingsbeleid
Een bestraffende sanctie wordt opgelegd voor een overtreding die ‘in het verleden’ begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. De vorm van een bestraffende sanctie onder de Wet kinderopvang is de bestuurlijke boete (artikel 1.72, eerste lid, van de Wko).
In de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Gouda 2019 is neergelegd op welke wijze het college invulling geeft aan zijn beleidsvrijheid. Het beleid houdt in dat het college in geval van een overtreding met prioriteit hoog altijd gebruikt maakt van zijn bevoegdheid en een boete ter hoogte van het in het afwegingsoverzicht genoemde bedrag op zal leggen.
Uitzondering hierop is de voorziening voor gastouderopvang. Hiervoor geldt dat de hoogte van de boete zoals opgenomen in het afwegingsoverzicht wordt gehalveerd, tenzij het gaat om overtreding van kwaliteitseisen die enkel voor de gastouderopvang gelden. Bij deze boetebedragen is thans rekening gehouden met het bijzondere karakter van deze voorziening.
Bij overtredingen met een prioriteit gemiddeld, kan het college besluiten een boete op te leggen. De hoogte van de boete zal met inachtneming van de algemene bepalingen hieromtrent worden bepaald.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.5