Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en het aangaan en onderhouden van sociale contacten, brengt met zich mee dat iemand zich in de directe woon-leefomgeving moet kunnen verplaatsen. Dit kan met behulp van een vervoersvoorziening. Ondersteuning middels een vervoersvoorziening is er op gericht langdurige beperkingen bij dit verplaatsen te compenseren. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn of haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken en vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Er wordt onderzocht in hoeverre de cliënt zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien, hulp kan inschakelen van het eigen netwerk of gebruik kan maken van een algemene voorziening of het openbaar vervoer.
Voor het vervoer kunnen een taxipas, scootmobiel of andere individuele voorzieningen, zoals een driewielfiets, of auto-aanpassing worden verstrekt. Als openbaar vervoer onvoldoende toegankelijk en bruikbaar is, dan kan de betreffende persoon in aanmerking komen voor een Collectief Vraagafhankelijk Vervoer-pas (CVV-pas). Met deze pas kan tegen betaling van het gebruikelijk openbaar vervoerstarief gereisd worden. Het instaptarief en vast tarief per kilometer staan uitgewerkt in het Financieel Besluit. Per rit kan maximaal in een straal van 25 km gereisd worden vanaf de woonplaats. Daarnaast zijn er puntbestemmingen waar cliënten uit alle gemeenten met de CVV-pas naar toe kunnen reizen, namelijk de volgende steden: Harlingen (behalve voor Harlingers zelf), Sneek, Leeuwarden en de crematoria in Goutum en Marsum. Voor verplaatsingen buiten de regio (dus buiten een straal van 25 km of de bovengenoemde steden) kan bovenregionaal vervoer worden gebruikt. Hiervoor is Valys beschikbaar, in opdracht van het Ministerie van VWS.
Als algemene richtlijn geldt dat ongeveer 1.500-2.000 km per jaar toereikend is om in verreweg de meeste gevallen de beperkingen in mobiliteit weg te nemen. Dit vloeit voort uit de jurisprudentie. Hier bestaan wel uitzonderingen op. In sommige gevallen kan het zijn dat er meer vergoedbare kilometers zijn. Dit moet echter blijken uit onderzoek. Belangrijk is dat de cliënt in zo’n geval met concrete verifieerbare gegevens aannemelijk kan maken dat in zijn geval de vervoersbehoefte groter is dan de 1.500-2.000 km-norm per jaar. Wanneer iemand in het CVV is aangewezen op begeleiding, dan kan er een begeleiderspas worden toegekend.
Wanneer de CVV pas niet kan voorzien in de vervoersbehoefte en de verplaatsingen liggen meer in de directe woonomgeving van de cliënt, dan kan een scootmobiel worden toegekend. In enkele gevallen is een scootmobielpool beschikbaar en voorliggend wanneer dit een passende oplossing is voor het vervoersprobleem van de cliënt. Wanneer dit niet het geval is, kan een scootmobiel als maatwerkvoorziening worden verstrekt.
De scootmobiel kan worden meegenomen in het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer wanneer er sprake is van een noodzaak en het bevorderlijk is voor de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Daarbij is het wel een strikte voorwaarde dat de scootmobiel veilig vastgezet kan worden tijdens de rit en dat de cliënt tijdens het vervoer op een reguliere zitplaats zit. De cliënt dient, eventueel met hulp van de chauffeur, de overstap naar de vaste zitplaats te maken via de normale ingang. Indien dat niet mogelijk is, dan kan de cliënt met hulp van de chauffeur via de lift in het voertuig stappen. De cliënt staat dan op de lift, moet zich vast houden aan de handrail en wordt ondersteund en begeleid door de chauffeur die tegelijk de lift bedient. De scootmobiel wordt altijd door de chauffeur op handkracht in het voertuig gezet en als bagage vastgezet. Indien bovenstaande opties niet mogelijk zijn, dan moet het vervoer worden geweigerd, omdat het niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden.
Een autoaanpassing kan worden verstrekt wanneer dit voor de cliënt in zijn situatie de goedkoopst compenserende oplossing is. Dit betekent dat er geen goedkopere en duurzame vervoersalternatieven beschikbaar zijn voor de cliënt om zich te verplaatsen en de eigen auto alleen gebruikt kan worden wanneer die wordt aangepast.
De aanpassingen kunnen onder meer betrekking hebben op de bediening en besturing, het in en uit de auto komen, de zithouding, het meenemen van noodzakelijke hulpmiddelen, de verzorging van de persoon met beperkingen, het inrijden van een rolstoel en de vergrendeling van een rolstoel. Een vergoeding van de kosten voor aanpassingen van een eigen auto is alleen mogelijk als de auto redelijk is aan te passen en in goede staat verkeert. De cliënt dient dan ook aan te tonen dat de aan te passen auto de investering nog waard is, dus naar verwachting nog minimaal vijf tot zeven jaar mee kan. Een keuring van de auto kan worden verlangd om dat te kunnen inschatten.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.9
Vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Vlieland 2021