**1..** In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet).
**2..** Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt.
**3..** Als de mantelzorg wordt verleend door een huisgenoot kan het bovengebruikelijke hulp zijn. Mantelzorg is het ruimere begrip, zowel voor wat betreft de personen die de zorg leveren als voor wat betreft de vormen van geleverde zorg. Maar ouders zijn niet op te vatten als mantelzorgers. Zij hebben op grond van het BW een plicht tot de verzorging en opvoeding van hun kind. De opname van `hulp ten behoeve van jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen’ in de definitie van mantelzorg heeft dan ook niet betrekking op de ouders (zie RBROT:2018:646 en de noot van Saskia Vogels).
**4..** Voor bovengebruikelijke zorg is een indicatie mogelijk en ook als de mantelzorger de ondersteuning niet meer onbetaald wil bieden is er een indicatie mogelijk. In het hoofdstuk over gebruikelijke hulp is uiteengezet dat van partners onderling en van ouders ten opzichte van hun kinderen veel mag worden verwacht.
**5..** Mantelzorg is vrijwillige, onbetaalde zorg en kan niet verplicht worden. Als iemand die vrijwillige, onbetaalde zorg niet meer wil bieden, dient het college hier rekening mee te houden. Het college moet zich er ook van vergewissen dat degene die mantelzorg verleent ook bereid is daarmee door te gaan. Dat maakt vast onderdeel uit van het onderzoek. Als de verleende hulp, bijvoorbeeld van een uitwonende dochter aan haar moeder, tegen betaling wordt verleend, vloeit deze hulp om die reden niet rechtstreeks voort uit de sociale relatie, maar uit de overeenkomst over die sociale relatie (CRVB:2017:17). De sociale relatie schuift daarmee op naar de markt, waar een ruim aanbod is. Als de dochter voor haar hulp dan een pgb wenst, zal eerst moeten worden beoordeeld of de hulp voldoet aan de kwaliteitseisen (zie stap 4 in het onderzoek (aard en omvang) en hoofdstuk 8 over het pgb, onder het kopje `kwaliteit’).
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.1
Wettelijk begrip
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oldambt 2021