1.1. Maatschappelijke ontwikkeling
Drugscriminaliteit is een maatschappelijk probleem in Nederland en vormt een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het woon- en leefklimaat. Het aantal chemische drugslabs in bewoonde gebieden neemt toe. Ook worden er steeds vaker hennepkwekerijen aangetroffen waarbij er een groot risico bestaat voor brandgevaar, ontploffing en waterschade. Het gaat om levensgevaarlijke tikkende tijdbommen waartegen moet worden opgetreden.
Ook blijkt uit het ondermijningsbeeld van de regio Noord-Drenthe dat het fenomeen drugs een belangrijke factor is in de georganiseerde criminaliteit in dit gebied. De bestrijding hiervan is niet alleen voorbehouden aan politie en justitie. Ook de gemeente krijgt een steeds belangrijkere rol in de aanpak hiervan. Het is daarbij noodzakelijk om het probleem integraal aan te pakken. Zowel regionaal als lokaal is daarom prioriteit gegeven aan de aanpak van drugs.
1.2. Instrument tegen drugscriminaliteit
Het belangrijkste instrument tegen drugsoverlast en -criminaliteit is de Opiumwet. Artikel 13b van de Opiumwet (ook wel Wet Damocles genoemd) maakt het mogelijk voor een burgemeester om op te treden tegen drugscriminaliteit. Op grond van dit artikel heeft de burgemeester de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen als in woningen of lokalen drugs worden verkocht, afgeleverd en verstrekt of aanwezig zijn. Deze last kan inhouden dat een woning of lokaal wordt gesloten.
Sinds 1 januari 2019 is artikel 13b van de Opiumwet uitgebreid. Ook strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot handel in en productie van drugs kunnen nu tot een sluiting leiden. Met deze uitbreiding van de bevoegdheid is de burgemeester beter in staat om de risico’s die drugsgebruik met zich mee brengt voor de volksgezondheid te voorkomen en te beheersen en de nadelige effecten van de productie en distributie van handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden tegen te gaan.
1.3. Doelstelling beleid
Sluiting van een woning of lokaal op grond van artikel 13b Opiumwet is een belangrijke herstelsanctie waarmee het beëindigen of opheffen van illegale verkoop- of handelslocaties wordt beoogd. Het sluiten van panden is een essentieel onderdeel in de samenwerking van overheidspartners bij het optreden tegen drugscriminaliteit. Met de sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de loop naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Daarbij geldt dat eerder tot sluiting kan worden overgegaan als de betrokken woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk ligt, omdat een zichtbare sluiting van dergelijke woningen door de burgemeester voor bij die woningen betrokken drugscriminelen en voor buurtbewoners een signaal is dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in die woningen. Een sluiting beëindigt daarmee een situatie die schadelijk is voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Daarnaast werpt een sluiting van een pand een barrière op voor criminele activiteiten, doordat het criminele ondernemingsproces verstoord.
Deze beleidsnotitie bevat de kaders voor de uitoefening van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid. Bij de uitoefening van de bevoegdheid beschikt de burgemeester over beleidsruimte. Indien bepaalde omstandigheden hiertoe aanleiding geven, kan de burgemeester gemotiveerd afwijken van de handhavingsmatrix en de daarin genoemde (zwaarte van de) maatregel.
Artikel 1.