Naar hoofdinhoud
2.1. Artikel 13b Opiumwet Sinds 1999 kan de burgemeester door middel van een last onder bestuursdwang een lokaal sluiten als in of bij dat lokaal een handelshoeveelheid drugs wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt of voor handel aanwezig is. In 2007 zijn ook woningen aan het bereik van deze bevoegdheid toegevoegd. De bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet gold voorheen niet als in een pand geen drugs werden aangetroffen (noch verkocht, afgeleverd of verstrekt), terwijl er wel voorwerpen of stoffen aanwezig waren die duidelijk bestemd waren voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur (drugslaboratorium, cocaïnewasserij), chemicaliën (apaan, zoutzuur) en versnijdingsmiddelen. Per 1 januari 2019 is het bereik van artikel 13b Opiumwet echter verruimd en luidt de bepaling als volgt: De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf: een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen. Bij de verruiming gaat het om voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a en 11a van de Opiumwet. Die bepalingen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning of het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. De situatie zal van een zodanige aard moeten zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. Of hiervan sprake is, dient te worden beoordeeld op basis van de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld, de feiten die de politie op grond van artikel 9 van de Opiumwet bevoegd maakten om het pand te betreden, de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en hoeveelheid van de in beslag genomen stof (denk aan de opslag van 2.000 liter zoutzuur in een woonwijk), de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie (bijvoorbeeld een drugslaboratorium of hennepkwekerij in aanbouw) en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. De verruimde bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet maakt sluiting mogelijk zodra het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs, ook als er (nog) geen directe gevolgen zijn voor de lokale woon- of leefomgeving. De verruiming van artikel 13b Opiumwet geldt niet voor in een pand aangetroffen vervoermiddelen, gelden of andere betaalmiddelen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a. In veel gevallen zal de relatie van vervoer- of betaalmiddelen met het pand onvoldoende duidelijk zijn om sluiting van het pand te rechtvaardigen. Evenmin geldt de verruiming van de sluitingsbevoegdheid als in een pand een (geheime) ruimte wordt aangetroffen als bedoeld in artikel 11a. Dit neemt niet weg dat het aantreffen van vervoer- of betaalmiddelen of (geheime) ruimten wel kunnen bijdragen aan het oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. 2.2. Het gebruik van aanvullende bevoegdheden Naast de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet, heeft de burgemeester nog een andere bevoegdheid. Zo kan de burgemeester op grond van artikel 174a van de Gemeentewet (ook wel Wet Victoria genoemd) besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of erf wordt verstoord. Deze sluitingsbevoegdheid geldt alleen als er door gedragingen sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor. Uit de rechtspraak blijkt dat aan die voorwaarde alleen wordt voldaan als de gedragingen overlast veroorzaken die de veiligheid en gezondheid van omwonenden in ernstige mate aantast. Van een dergelijke situatie zal dus niet snel sprake zijn en het artikel biedt daarmee onvoldoende soelaas voor situaties waarin er aanwijzingen zijn voor drugscriminaliteit, maar er (nog) geen sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde. Een andere, relatief jonge bevoegdheid, bestaat op grond van artikel 151d van de Gemeentewet. Op 1 juli 2017 is namelijk de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden. Door deze wet is artikel 151d toegevoegd aan de Gemeentewet. In dit artikel wordt aan de gemeenteraad de mogelijkheid gegeven om in een verordening (bijvoorbeeld in de Algemene Plaatselijke Verordening) te bepalen dat degene die een woning gebruikt geen ernstige hinder voor omwonenden veroorzaakt. Dit geeft burgemeesters de mogelijkheid om, wanneer er sprake is van ernstige en herhaaldelijke hinder, specifieke gedragsaanwijzingen te geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen. Zo’n gedragsaanwijzing kan worden opgelegd als last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. De last kan ook een tijdelijk huisverbod inhouden, maar geen sluiting van de woning. Daarnaast is een ander verschil met artikel 13b Opiumwet dat artikel 151d van de Gemeentewet ernstige en herhaaldelijke hinder van omwonenden vereist, en bijvoorbeeld niet (zonder meer) gebruikt kan worden na het aantreffen van een grote hoeveelheid drugs of grondstoffen voor drugs. Er zijn dus meerdere manieren om op te treden tegen overtredingen van de Opiumwet. Er is geen bepaalde voorkeursvolgorde, maar het is duidelijk dat toepassing van de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet in veel gevallen het meest effectief is. 2.3. Coffeeshops De gemeente voert een zerotolerancebeleid met betrekking tot coffeeshops. Een coffeeshop is een alcoholvrije horeca-inrichting waar handel in en gebruik van cannabisproducten plaatsvindt. Het zerotolerancebeleid houdt in dat zich geen coffeeshops in Aa en Hunze kunnen vestigen. Uitgangspunt van dit beleid is om te voorkomen dat de veiligheid, de openbare orde, het woon- en leefklimaat en de gezondheid van de inwoners van de gemeente nadelig worden beïnvloed door de vestiging van de coffeeshop.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel