Naar hoofdinhoud
Op grond van artikel 8 lid 1 onder b DHW mag een exploitant of leidinggevende van een alcoholschenkend horecabedrijf of slijtersbedrijf niet van slecht levensgedrag zijn. Net als bij de levensgedragtoets uit artikel 3.11 lid 3 APV heeft de burgemeester een ruim beoordelingskader, er gelden geen beperkingen aan de feiten omstandigheden die daarbij mogen worden betrokken. Voor het toetsen van het levensgedrag op grond van de DHW gelden de uitgangspunten uit de inleiding van dit hoofdstuk en paragraaf 2.1. Exploitanten en leidinggevenden hebben een voorbeeldfunctie en zijn verantwoordelijk voor hun bezoekers. Zij dienen hun verantwoordelijkheid naar de bezoekers te tonen en bijvoorbeeld, indien dit noodzakelijk is, hen ervan te weerhouden bepaalde middelen in te nemen. Alcohol-gerelateerde (strafbare) feiten zijn daarom relevant voor de levensgedragtoets uit de DHW. Bij alcoholschenkende horecabedrijven en slijtersbedrijven wegen overtredingen als rijden onder invloed van alcohol en openbaar dronkenschap in beginsel zwaar mee in de beoordeling. 2.2.1. Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 Naast de vrije beoordelingsruimte zijn er ook imperatieve weigeringsgronden; op grond van artikel 8 lid 2 DHW moeten exploitanten en leidinggevenden voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Besluit. Heeft de aanvrager zich schuldig gemaakt aan de in het Besluit omschreven feiten dan komt de aanvrager niet in aanmerking voor een drank- en horecavergunning of wordt de verleende vergunning ingetrokken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel